No comment

vrijdag 24 februari 2012

Eet smakelijk

Wij hebben de fysieke voorsprong van de geestelijke achterstand. Dat realiseer ik me veel te laat  toen ik bladerend door het menukaart van een restaurant ineens moest denken aan de mernsen die aan de andere kant van de wereld geen keus kunnen maken zoals ik en zij maar af moeten wachten of hun kinderen de volgende dag wel zouden halen omdat ze al dagen geen eten hebben gehad. Ik zal nooit meer zeggen als ik trek in eten heb,  "ik heb honger".
Wat voor mij vanzelfsprekend is in het westen als het gaat om consumptieve middelen  zal  ik,  voordat ik een besluit neem  dit tot in den treure evalueren en eventuele gemaakte keuzes  heroverwegen om maar niet met mijn geweten  in conflict te komen. Eten opscheppen doe ik afgemeten om maar niks hoeven weg te gooien.
Is passiviteit en de andere kant opkijken, doen of je neus bloed,  terwijl je ziet en weet dat er mensen enkele duizenden kilometers hiervandaan dood gaan van armoede en honger een vorm van criminaliteit?
Is er een excuus? Hanteren we plotseling andere normen en waarden naarmate de geografische afstanden toenemen? Soms denk ik dat het goed zou zijn als we de stank kunnen ruiken van de dood die via onze breedbeeld tv's onz huiskamers instralen net voor de choose channel button wordt ingedrukt voor een andere minder traumatische kanaal, immers dat vinden we zulke beelden maar vervelend en nemen we de reclame van C-1000 of  Jumbo maar op de koop toe om maar niet geconfronteerd te worden met het leed van anderen.. Een watersnood, tsunami of  een flinke  aardbeving kracht 7 het liefst met heel veel dooien en zwaargewonden is pas echt boeiend en in deze tijd van geestelijke armoede, de moeite waard om de soap Goede Tijden Slechte Tijden weg te zappen. Onlangs werd mijn aandacht even afgeleid en schrok ik enorm toen mijn aandacht weer richting tv ging en een dakloze in een steeg zag slapen tussen het afval. Bleek het een fragment van een realitysoap te gaan. We beelden het zelfs nu in hoe het zou zijn om zo te leven, als amusement dat is triest.

maandag 13 februari 2012

Vriendschap

Deze blog schreef ik onderweg op de terugvlucht van Hato Airport Curaçao naar Amsterdam Schiphol
De lichten waren net op slaap-modus gegaan en we hadden de maximale gunstige hoogte bereikt van 10095 meter.. Op een paar oplichtende videoschermpjes na was iedereen in diepe rust.
Mijn gedachten gingen op dat moment uit naar de bijzondere ontmoetingen met mensen die ik gemaakt had op Sint Maarten en Curaçao.

Waar ik het meest door geraakt werd was het verhaal van Robertico Maduro,  directeur Yabi di Libertad uit Bonaire en Pastoor Sherald Obispo de oprichter van een organisatie voor opvang van drugsverslaafde daklozen en die inmiddels locaties heeft op Sint Maarten, Aruba en Bonaire.

Waarom ik juist deze ontmoeting eruit heb gelicht? Omdat deze mensen me herinneren aan zielsverwanten in mijn nabije omgeving.
Ik had nadien twee zere duimen overgehouden van het tikken op mijn blackberry, maar het was de moeite waard. Het is nu alweer 11 maanden geleden dat wij van elkaar afscheid genomen hadden. Het was niet een momentopname maar terugkerende gespreksonderwerpen tijdens de autoritten naar Den Bosch, Tilburg en Vught met steeds hetzelfde thema... afscheid.

Een gemist oproep, zag ik toen op die ochtend toen ik wakker werd. Lies, zijn soulmate met wie hij samen eind jaren negentig uit een diep dal was geklommen, stond op mijn voicemail. 
Ik  belde terug, nog slaapdronken en hoorde de onheilstijding als in een roes.
Ze klonk heel sterk, maar dat was Lies ten voeten uit.

Robert was gisteravond opgenomen in het ziekenhuis in Tilburg met een herseninfarct, klonk het lineair uit de luidspreker van mijn blackberry alsof ze het voorlas van een briefje.
Een lange tijd zei ik niks en als ik wat gezegd zou hebben na die stilte, dan was het zoiets als "wat zeg je?"
"Ik versta je niet" of  "nog een keer Lies?" Alsof het bandje gewist zou worden in de hoop dat de boodschap anders zou kunnen worden.

Een paar seconden duurde die sprakeloosheid, maar ondertussen het bericht in haarvolle omvang en langzaam tot me door laten dringen en een plekje proberen te geven.
Maar hij ligt op intensive care hoorde ik Lies zeggen dus in goede handen en is nog niks aan de hand.

Van mijn generatiegenoten  en mensen uit mijn nabije omgeving waren er drie en zekert minstens twee, van wie de opofferingsbereidheid uitzonderlijk genoemd mag worden als die van Robert alsof ze van een andere planeet of wereld kwamen en in ieder geval niet aards.
Gisteravond, op de valreep,  daags voor mijn vertrek uit de Cariben, kwam ik twee  mensen tegen en beide uit hetzelfde hout gesneden als Robert.

Beiden begaan met het lot van anderen, behulpzaam en nog meer van dat soort eigenschappen en die deze Blog gemakkelijk met meer alineas zou kunnen vullen.
Ik kwam eigenlijk langs om kleren te brengen voor de bewoners van het karakteristieke landhuis.

Vanaf de weg was er altijd bedrijvigheid te zien.
De man aan wie ik vroeg of er ook leiding aanwezig was, wees naar binnen.
De pastoor is binnen op zijn kantoor maar heeft een afspraak. De directeur is er ook.
In de hal wat door moet gaan voor een receptie zat een man, duidelijk aangedaan door de hitte.
Bon tardi, ik kom kleren brengen.
Oh zegt de man die zijn altijd welkom en gaf me een hand, ondertussen mijn buz-card in de andere hand aandachtig lezend
Ik vroeg hem wat dit voor een organisatie was.

Het bleek een opvangtehuis voor thuis en dakloze drugsverslaafden.
De beste man vertelde of ik met de pastoor kennis wilde maken, want die is zo klaar met zijn gesprek maar heeft weinig tijd want die moest direct naar een andere afspraak.
Nou dat hoeft niet perse zei ik, want ik heb ook weinig tijd en gaf hem een hand.

Naar de auto lopend, zag ik hem vanuit mijn ooghoek met iemand praten en keek hij mijn kant op.
De zon brand op mijn gezicht en het was bloedheet die middag. Te warm eigenlijk voor afspraken.
Hij wenkte me en stelde zich even later voor als Sherald Obispo, de pastoor.
God heeft me een engel gestuurd zei hij lachend.

Ik moest op mijn beurt nu ook om hem lachen, want voor die twee dozen en plastic vuilniszak met kleren werd kreeg ik een waardering toegekend die alleen voorbehouden is aan onsterfelijken.
Nee, zegt hij nu onbewogen, ik voel dat er iets belangrijks staat te gebeuren toen ik je zag en zal mijn afspraak zo afzeggen. Hij leek helemaal niet op een pastoor.
In mijn ogen zijn geestelijken en zeker pastoren blank en onberispelijk gekleed in de zo kenmerkende kleding of gewaden.

Maar deze man ziet er met zijn lange gestalte, oude  jeans en oude versleten shirt, niet bepaalt uit als een geestelijke.  Zijn karakteristieke en getekende gezicht, de ogen, heeft zonder enige twijfel een verhaal.  Hij deed me denken aan die neger acteur die in een oude (The magnificent  seven) westernfilm speelde.
We liepen naar zijn kantoor waar hij over zijn achtergrond verteld en de ontstaansgeschiedenis van deze locatie en het werk wat hij deed.

Na een behoorlijke tijd in Amsterdam gewoond te hebben was deze eens zo bekende maar aan heroïne verslaving gevallen honkballer uit de Bijlmer zeven naar zijn geboorteland Curaçao gegaan.
Daar deed hij na enige tijd ten overstaan van zijn God een belofte. Als God hem van zijn verslaving afhielp, dan zal hij zijn leven wijden aan het helpen van drugsverslaafden.
Deze belofte hield hij gestand.
Kom zegt hij, ik laat je het terrein zien waar we aan het bouwen zijn.
Met een terreinwagen reden we over de gaten en kuilen naar de uiterste hoek van het landhuis waar een gebouw staat zonder dak met alleen muren.

Hij stelde me voor aan twee bouwvakkers die er aan het werk waren.
Ze waren allebei bewoners van deze locatie. Yubia de Libertad.
Gelukkig dat jullie subsidie krijgen van de overheid zei ik. Lachend,, "subsidie?" we hebben nog geen 1 cent van de overheid gekregen.
Wat je hier ziet staan is bijeen gesprokkeld met fondsenwerving en sponsoring van bedrijven en als er geen geld meer is, dan stoppen we weer met bouwen.
De politiek heeft het te druk met de politiek, die weten niet wat wij aan het doen zijn, kwam het weer lachend en met zelfspot uit zijn mond.

Veertig cliënten wonen op Yubia de Libertad en met enige vindingrijkheid en hardwerkend opgebouwd
En dan onverwacht relativerend, "maar we hopen toch dat na 16 magere jaren deze nieuwe  regering ons een toekomst kan geven."
Hij meende wat hij zei zag ik. Inderdaad kan je aan de fundering en de vloer zien dat om de twee vierkante meter de vloer er qua structuur anders uit zag en er gefaseerd gebouwd werd.

Het terrein waar dit complex, landhuis en uitbreiding, ligt tussen de doorgaande weg van Otrabanda naar West Punt en bijna onder de aanvliegroute van burger en militaire vliegtuigen die airport Hato aandeden.
Ik moet weg voor een afspraak zei ik spijtig want morgen ga ik weer terug naar Nederland.
Of ik vanavond om acht uur  kon komen, want dan wilde hij mij kennis laten maken met de directeur van de afdeling op Bonaire.
Toen ik die avond aan kwam rijden zag ik hem met een man waarvan ik vermoede dat hij de man van Bonaire was, op een  podium zitten.

Ze waren domino aan het spelen een favoriete spel op het eiland.
Naast het podium was een overdekte van golfplaten grote overdekte palapa waar circa 8 jonge mannen tv kijken.
De man van Bonaire stelde zich voor als Robertico Maduro een van de eerste cliënten die door Sherald geholpen was om van zijn verslaving af te komen bleek later.
Nu runde Robertico een afdeling van Yubia di Libertad op Bonaire met 12 cliënten, (Robertico glimlachend) ook nog zonder subsidie.
We beloofden een samenwerking met elkaar zonder materieel of geldelijk gewin.

Maar wat me het meest raakte waren de warme woorden van afscheid. Deze locatie en de andere locaties op Bonaire, Aruba en Sint Maarten moet ik als mijn huis beschouwen als ik weer voet op de Antillen zet. De omhelzing met beide ervaringsdeskundigen hadden iets maçonniek, gemeend maar tegelijk ook magisch.
Robert lag in een aparte kamer met de bekende geluiden van een monitor en meetapparatuur met gekleurde ledlampjes die aan en uit gaan.
Zijn ogen waren half gesloten, zijn pupillen staarden in het niets.

Zijn borstkas volgde  het zware onnatuurlijke ritme van de beademingsapparatuur.
Lies was even rusten in de 'familiekamer'.
Met zijn linkerhand in mijn hand licht masserend probeerde ik elk woord dat we tegen elkaar zeiden tijdens de autoritten naar Vught terug te halen onderwijl hoopvol wachtend op een licht respons op mijn aanraking.
Hij gebruikte medicijnen, pufjes voor zijn benauwdheid en klaagde de laatste tijd vaak over een vermoeide en pijnlijke nek.
Maar wat me toen zorgen baarde was dat hij zei dat hij aan een autoimuum ziekte lijdt en in feite niet beter kan worden als hij ziek wordt, ook niet met medicijnen.

Dat was volgens mij de reden het begin van  steeds terugkerende onderwerpen en thema's  tijdens nachtelijke ritten: wat als......we zijn allebei ervaringsdeskundigen, ieder met een eigen invalshoek. We hebben allebei de levensschool doorlopen en waren er allebei ongeschonden uit gekomen.
Gespreksonderwerpen die ons beide raken, uit onze jeugdjaren, onderwerpen als de teloorgang van de maatschappij en het menselijk ras.

Wat als er iets met ons gebeurt? Robert heeft veel van zijn vrienden overleefd, sommige nog jonger dan hem. Hij was ook niet bang om  te dood te gaan, als het maar geen pijn doet grapten we. En nu ligt hij hier en de vooruitzichten waren niet goed.
De kans dat hij uit coma raakt is zeer klein en wat als hij er wel uit komt? Ik herinner me zijn grappigge anekdotes over een kameraad van hem die hetzelfde overkwam en nu in een scootmobiel rijdt en waar we om moesten lachen.

Nee Ton als me iets overkomt, dan wil ik niet teruggehaald worden waren letterlijk zijn woorden.
Tot drie keer toe als we weer op dit onderwerp komen zei Robert dat hij absoluut niet gereanimeerd wil worden als die situatie zich voordoet (alsof hij het al voelde aankomen).

Hij heeft dit ook bij herhaling met Lies over gehad.
De reactie van de familie bij monde van Roberts jongere broer Sam was ook heel begrijpelijk toen ik dit heel voorzichtig ter sprake bracht.
Ik voelde me ook verplicht t.o.v. Robert om het te zeggen en natuurlijk begreep ik onmiddellijk het verdriet en de teleurstelling ("we hadden liever gehad dat hij dit soort dingen ook met de familie bespreekt" dacht zijn broer hardop) maar zulke dingen vertel je juist niet aan je naasten als je gezond bent en er verder niks aan de hand is.

Een dag voor de artsen in overleg met de familie besloten om de machines stop te zetten die Roberts vitale organen vervingen, bezocht ik hem weer. Lies belde me om te zeggen wat er stond te gebeuren en dat het de laatste keer is dat wij hem dan "levend" zouden zien.
Ik zat deze keer aan zijn rechterkant, hield zijn hand vast en zei Obeth (zijn roepnaam) ik ben het. Lies was op dat moment even naar de andere familieleden toe die in de hal stonden, toen het gebeurde.
Robert deed plotseling zijn beide ogen open en draaide de ogen met heel veel moeite naar rechts en hield zijn blik gedurende drie tot vier seconden naar mij gericht. Ik was veel te beduusd om iets te zeggen, maar zijn blik was heel vorsend en natuurlijk probeerde hij mij iets duidelijk te maken. Ik heb Robert vaak zo zien kijken als we oog contact hadden over een bepaalde situatie waarmee wij vaak aan gaven dat wij het zelfde dachten en dat slechts bevestigen door elkaar aan te kijken. Het was dezelfde type blik en ik wist bijna zeker wat hij mij wilde zeggen.
De volgende avond was het zover, maar ik had nog afscheid van hem kunnen nemen. Het voelde niet als een afscheid voorgoed want tijdens de nachtelijke ritten gingen de onderwerpen van gesprek niet altijd over onze pubertijd en en pre-volwassen fase en wat zich nog daarna afspeelde in ons leven. Onze gedachtewisselingen waren in geestelijke zin op de een of andere wijze heel grensverleggend. Het is een kwestie van tijd, maar Robert voelde het aankomen en dat is slechts aan weinigen voorbestemd.





maandag 6 februari 2012

Diana

Ze heeft inmiddels een "beter"  onderkomen. Het bouwval waar ze eerder met haar twee kinderen in woonde op de kerosine route van dalende en stijgende KLM Arke Fly en Inzel Air  vliegtuigen bij  Hato Airport op Curacao,  heeft ze inmiddels verlaten. Het begon al hachelijk te worden want het bouwsel schoof na iedere regenbui enkele cm's naar de rand van de heuvel en waar inmiddels flinke diepe scheuren in de grond zijn ontstaan. Waar ze nu woonden ? Ze mogen blijkbaar niet klagen, een zijstraat van een soort ringweg. De ratten mogen ze op de koop toenemen en deze keer hebben ze electriciteit maar geen water en ook geen wc. Maar de hoop op een beter en menswaardig leven is er. Ik vroeg me af hoe zij het voor elkaar krijgt om die lach nog op haar gezicht te toveren en durfde niet achterom te kijken toen ze ons uitzwaaiden.

woensdag 4 januari 2012

Een goed boek is niet na te vertellen

Ik was enkele dagen druk bezig mijn maat Ed te helpen zijn huisraad op te slaan klaar te maken voor verzending naar zijn geboorteland Suriname toen de telefoon ging.
Nu ben ik niet zo van het 'direct opnemen' als ik ergens mee bezig ben, maar die trilling van de celphone in mijn linker borstzak ter hoogte van mijn hart voelde net iets anders, waardoor ik instinctief de telefoon toch opnam.
Ik hoorde na mijn 'hallo' twee tellen niets en daarna een bekende stem die toch anders klonk.
De nieuwjaarswens klonk niet zoals het normaliter hoort te klinken. In een fractie van slechts een paar seconden kwam de onheilstijding.
Mijn goede vriend en soulmate van de broederschap met wie ik berichten, mails en smsen  afsloot en ondertekend met -liefs- bracht het nieuws monotoon en alsof hij het ergens uit voorlas. Ik bleef als versteend tussen de verhuisdozen staan en miste eigenlijk een ondertiteling voor de stroom van woorden die in slowmotion uit mijn blackberry kwam.
Wat zegt hij nou allemaal? Toen we ophingen bleef ik nog even staan om het nieuws allemaal te verwerken. Ed keek me vragend aan, dat was Henk zei ik, hij heeft verteld dat hij ziek was en om te voorkomen dat ik het van iemand anders hoorde, heeft hij zelf gebeld nadat hij van de artsen een bevestiging kreeg dat het weggehaalde weefsel kwaadaardig was. Henk ken ik vanaf de tijd dat ik vaak in Spanje was om te klimmen. Hij heeft met zijn broer een bekende en goedlopende sportzaak waar ik vaak en graag kwam. Het was begin negentig, zolang ken ik hem al en na  al die jaren was er een vriendschap ontstaan waarin bleek dat we dezelfde mens en maatschappij visie en humor deelden. Er is misschien een kleine nuance. Waar ik stopte ging hij verder, hij  nam ook geen blad voor de mond. Dat typeert hem, rechttoe rechtaan. Er waren situaties waarin ik hem bij wijze een schop onder de tafel moest geven om hem af te remmen tot grote hilariteit (later en achteraf) van ons beiden. Soms moet ik tijdens een meeting een andere kant op kijken om niet in een gierende lachbui te raken want een blik naar elkaar toe is al voldoende om van elkaar te weten hoe wij over een bepaalde onderwerp denken.
Ik kan me nog de tijd herinneren dat hij zijn huidige liefde Mia  leerde kennen. Ik was met Ed in een klein bergdorpje iets buiten de Jaca in de Spaanse Pyreneeen op bezoek bij Spaanse vrienden. We waren nog aan het napraten voor het slapen toen er een sms berichtje op mijn mobiele telefoon binnen kwam. Het was een lang bericht en heel intiem. Henk lag (bleek later) vanuit zijn bed te smsen met zijn nieuwe vlam en drukte per ongeluk op de verkeerde naam in het adressenbestand op zijn telefoon met zijn slaapdronken kop. Ed en ik  lagen natuurlijk in een deuk toen we zijn sms beantwoorden met net zoveel lieve woorden haha, maar na de 3e sms bericht kreeg hij eindelijk door dat hij zijn smsberichttjes naar iemand anders aan het smsen was.  Ed is opticien en zijn zaak staat pal naast die van Henk dus die kenden elkaar ook heel goed. We hebben er zelfs nu nog, na al die jaren hartelijk om moeten lachen. Eergisteren was ik even bij hem op de zaak. Toen ik kwam aanlopen kon ik hem dwars door de etalage zien achter de balie. Hij was duidelijk in gedachten verzonken en staarde voor zich uit. Ik kwam zwaaiend binnen met mijn handen zijn blikveld kruisend waar hij zijn starende blik  op had gefocust. Hij was net zo enthousiast dat we elkaar weer zien als al die andere keren maar ik was niet helemaal overtuigd omdat ik wist wat er aan de hand was. He bleek een zeldzame vorm van kanker te zijn waarvoor er nog geen adequate behandelingmethode voor was en waar de kans op genezing klein zoniet nihil is. We zien wel was een van zijn bekende stopwoorden en direct daarna en hoe is het met jou? Negen dagen later kreeg ik op Sint Maarten een smsbericht. "Alles goed de weefsles waren verwijderd en zoals het er nu uitzag lijkt alles schoon en goed".  Someone up there is watching.

zondag 18 december 2011

E=MC2 voor Higgs


E=MC2  Energie is gelijk aan massa
De beroemde vergelijking van Albert Einstein
Ruimte is verbonden met tijd . Eerst was er de ruimte en tegelijk hiermee eigenlijk ook de tijd.
Het universum is een grote mysterie en haar ontstaan een geheim en er is tot op heden, althans wetenschappelijk gezien, geen verklaring hiervoor.
(George Lemaitre)
Ergens in de jaren twintig was er een Belgische pater Georges Lemaitre die een idee heeft over het ontstaan van het universum. Hij introduceerde de term De Big Bang de explosie de oerknal in ons scheppingsverhaal.
Volgens Lemaitre was het universum zoals wij die kennen, hierdoor ontstaan.
Het universum begon met een enorme explosie.
In wetenschappelijke termen…. Expansie met niet te bevatten krachten.
Na deze uitbarsting begon het universum zich te ordenen in structuren volgens wetten die in die eerste momenten in enkele seconden waren gecreëerd.
Een halve seconde na die gigantische knal was het universum zelfs al een miljard kilometer geëxpandeerd.
Dat zijn niet te bevatten getallen die mijn voorstellingsvermogen te boven gaan.
Na ongeveer tweehonderd miljoen jaar ontbranden de eerste sterren.
Er ontstonden planetaire stelsels, sterrenstelsels en groepen sterrenstelsels.
De planeten waren eerst kleine gloeiende lichamen die eerst rond de sterren cirkelden, koelden af tot ze stolden zoals ook met de aarde is gebeurd en met onze zon zal gebeuren.
En ja de zon zal sterven, na de aarde want die gaat het er eerst aan daarna de Melkweg en als laatste volgens deze generatie wetenschappers het universum.
Dit was in vogelvlucht het Alfa en Omega ….. al wat geboren wordt sterftVolgens wetenschappers zouden er twee mogelijkheden zijn hoe dit zou kunnen gaan gebeuren.
 


De Big FreezeHeel simpel uitgelegd als het langzaam doven van de lichten zeg maar tot er overal een gelijkmatige temperatuur heerst waardoor het universum in een gigantische ijskoud galactisch kerkhof verandert.
Dat gebeurd al heel snel want de schatting in onze tijdrekening is dat het al over honderd miljard jaar zal gebeuren .
De
De expansie neemt af en bereikt een moment waarop het stopt waarna het inkrimpt en ineen schrompelt
Door de zwaartekracht beginnen ruimte, tijd en materie naar elkaar toe te komen tot ze elkaar verpletteren in een oneindig kleine energie punt.
Dezelfde wetenschappers kiezen uit deze twee mogelijkheden van Omega, uiteindelijk toch voor de Big Freeze als meest waarschijnlijke en door de ontdekking vrij recent nog, ergens in 1998 dat de snelheid waarmee sterrenstelsels zich van elkaar verwijdert alleen maar toeneemt, wordt dit alleen maar bevestigd.
(Formule laten zien van de 2e wet van Thermodynamica)

Big Crunch als tweede mogelijkheid. De grote inkrimping.
"De driehoek betekent variatie"…..de S betekent entropie (uitleg)..de >
staat voor groter dan…en de nul is een nul.
Deze wet is door een meneer Rudolf Julius Emanuel Clausius geformuleerd.
Deze wetenschapper heeft al eerder de wet van behoud van energie geformuleerd.
Hij zegt dat de energie van het universum een eeuwige constante is die nooit kan worden gecreëerd of vernietigd alleen getransformeerd.
Van Clausius kwam ook het begrip "entropie’ dat alle soorten energie en temperatuur omvat, overtuigd dat zelfs dit laatste een eeuwige contante is.
Dus als het universum eeuwig was moest de energie dat ook zijn en de entropie eveneens.
Maar toen Clausius meetingen begon te doen ontdekte hij tot zijn schrik dat de hoeveelheid warmte die uit een machine komt altijd groter was dan de transformatie van warmte in werk.
Hij weigerde dit te aanvaarden en begon ook metingen te doen in de natuur en zelfs ook op mensen. Hij moest daarna, na veel onderzoek concluderen dat dit fenomeen bestaat en er was.
De entropie, dat ook overal in het universum aanwezig is, is dus geen constante maar neemt veel meer toe, ontdekte Clausius en zo ontstond de 2e wet van thermodynamica.
Clausius toonde op wetenschappelijke wijze met deze wet dat er drie dingen aan de hand zijn::
Dingen verouderen dus komt er ook een punt waarop ze sterven
Het universum evolueert met de tijd (dus er is ooit een begin geweest)
Er is een moment geweest waarop alles jong was de entropie minimaal.
Het universum evolueert naar een toestand van thermodynamisch evenwicht waarin niet langer koude en warme zones bestaan maar overal een contante temperatuur dus toch totale entropie.
(Duitse filosoof Immanuel Kant Immanuel Kant, "Kritiek van de Zuivere Rede", B1,10, 1787)In het voorwoord van de 2e editie van zijn de "kritiek van de zuivere rede " legde Kant de grenzen van de wetenschap vast.
Hij concludeerde dat er drie fundamentele problemen van de metafysica zijn die nooit door de wetenschap kunnen worden opgelost.
1. God….. 2.Vrijheid…. 3.onsterfelijkheid.
Kant zegt in de kritiek van de zuivere rede dat wetenschappers nooit in staat zouden zijn om het bestaan van God te bewijzen, vast te stellen en of we wel of niet een vrije wil hebben en met zekerheid te weten wat er na de dood gebeurt.
Vragen die volgens Kant niet meer behoren tot het domein van de fysica maar tot die van de metafysica. (broeder Willem)
Deze drie vragen staan volgens Kant buiten alle bewijs.
Kant zegt dus dat men het bestaan van God niet kan bewijzen evenmin het bewijs dat God niet bestaat.
We zijn altijd op zoek zijn naar ons zelf maar ook naar antwoorden op vragen over de schepper van het heelal.
Voor de Boedhisten Boedha voor de Mohammedanen Mohammed, voor de Christenen God en als het niet een van de drie is dan in ieder geval in een hogere macht , de schepper of een opperbouwmeester……iets….in ieder geval….
Sommigen weten het stellig anderen weer niet en als je twijfelt dan ben je agnosticus. Je kan niet bewijzen dat hij niet bestaat maar ook niet dat hij bestaat,.
Maar wat is volgens jou, de definitie van de schepper, de hogere Macht, God, de opperbouwmeester des heelal, de opperwezen?
De Brahman, de Dharmakaya de Tao?
Dit zijn knellende en misschien ook kwellende vragen die een zwaar beroep doen op iemands denkvermogen om de antwoorden hierop te begrijpen.
Niet alleen de wetenschap ziet zich met een gigantisch probleem opgezadeld maar ook de kerk bevindt zich in een spagaat want dit is ook een theologisch probleem sinds de wetenschap.
Heeft er nu wel of niet een schepping plaatsgevonden?
Op grond van wat er in de bijbel staat, heeft de kerk altijd al verkondigd dat er een begin en einde was, een Genesis en een Apocalips, een Alfa en een Omega.
Door ontdekkingen in de wetenschap, o.a. van Nicolaas Copernicus, Galilei en Newton, werd vanuit een bepaalde invalshoek dit vraagstuk belicht.
Dat was in de tijd dat wetenschap met name over het universum met beperkte middelen werd onderzocht.
Men begon te denken dat de hypothese van een universum dat eeuwig was het meest waarschijnlijke was.

Kort gezegd het universum is er altijd geweest altijd heeft bestaan en dus altijd zal blijven bestaan.
Het probleem van alfa en omega lijkt hiermee te zijn opgelost, er is geen begin en er is geen eind.
Maar stel dat dit niet zo is?
Want sinds Einstein ziet de wereld en het universum er plotseling heel anders uit en hiermee ook het universum waar we dankzij mensen als Cambridge 1671 (Spiegeltelescoop) en 1839 William Parsons………. daarna van vrij recente datum Edwin Hubble en Hale kunnen we verder en dieper het heelal in kijken.

En misschien, heel misschien zal de bijna gevonden higgsdeeltje, einsteins theorie aan het wankelen brengen en gaat er straks een nieuwe wereld open voor de wetenschap en voor ons.
Maar wat heeft de oerknal, de big bang die volgens wetenschappers 15 tot 20 miljard geleden heeft plaatsgevonden, de alpha en Omega de theologische God, en de oppperbouwmeester des heelals met de VM te maken?
In deze vraag schuilt een zekere verwarring en chaos die ik Sopresa noem de titel van dit bericht wat in het Spaans verwondering betekent. Sopresa in mijn manier van denken over onze wereld wat in mijn perceptie niet verder reikt dan de maan, zon, mars ons eigen zonnestelsel en nog iets verder.
Als het gaat om ons dagelijks leven zijn we beperkt in ons denken en handelen.
Kijk maar naar wat er in de wereld om ons heen gebeurd. De wereld draait alleen om Me, myself and I.
Elke dag sterven er wereldwijdt gemiddeld 3000 kinderen per dag aan ondervoeding en nog eens een gemiddeld evenredig aantal mensen per dag door ziekte, oorlog en geweld. Dit zijn ook gigantische getallen.
Zie hier wat wij onder beschaving verstaan op een kaalgevreten bijna zuurstofloze en uitstervend planeet.

Alle informatie met dank aan Wiki

Kant

Imannuel Kant

Een aantal keren heb ik tijdens lezingen met een bepaalt thema (filosofie bijv) de naam Kant horen vallen.
Ik ken de  filosoof niet en heb even in Wiki gebladerd met name over zijn levensloop.


(copie  uit wikipedia)

Kant was de vierde van negen kinderen van een arme zadelmaker.
Dankzij de welwillendheid van een dominee kon Kant op achtjarige leeftijd het Collegium Fridericianum, een Latijnse school, in zijn geboorteplaats bezoeken.
Op zijn zestiende ging hij daar naar de universiteit, waar hij eerst theologie en vervolgens filosofie en wis- en natuurkunde studeerde.
Na zijn afstuderen op 22-jarige leeftijd verdiende hij de kost als huisonderwijzer in zijn woonplaats.


Op de universiteit van Koningsbergen kon hij pas negen jaar later, in 1755, (onbetaald, want het was een erefunctie!) een aanstelling als privaatdocent krijgen.
Hij gaf in deze functie tot 1770 openbare colleges in onder meer logica, metafysica, ethiek, wiskunde en fysische geografie. Hij promoveerde in 1755 op een in het Latijn geschreven proefschrift, getiteld "''Principiorum primorum cognitionis metaphysicae''" (vaak aangehaald als: Nova Dilucidatio.

Duitse vertaling: ''Eine neue Beleuchtung der ersten Prinzipien aller metaphysischen Erkenntniβ''. Nederlands: Een nieuw licht op de eerste principes van alle metafysische kennis.)In 1770 werd Kant hoogleraar in metafysica (wetenschap) en logica aan de filosofische faculteit van de universiteit van Koningsbergen. Hij gaf colleges filosofie tot 1796.  Hij overleed in 1804.


Immanuel Kant behoort tot de moderne filosofen. Zijn invloed op de terreinen van filosofie, ethiek, theologie, strafrecht, volkenrecht en esthetiek werkt door tot op de dag van vandaag, en is nog steeds actueel.

In het werk van Kant zijn twee duidelijke periodes te onderscheiden: zijn voorkritische periode en zijn kritische periode. Als grens tussen deze twee periodes wordt in de filosofische literatuur als regel het jaar 1781 aangehouden.
In dit jaar verscheen zijn Kritik der reinen Vernunft]. Het verschil tussen deze periodes is het volgende. De vraag of er een rationalisme|rationalistische metafysica mogelijk is, beaamt Kant in zijn voorkritische periode in navolging van Gottfried Wilhelm Leibniz|Leibniz en Christian Wolff (rechtsgeleerde)|. In zijn kritische periode neemt hij hier afstand van.

De overgang tussen beide periodes is echter vloeiend. Al vanaf 1769/1770 klonk in de boeken en brieven van Kant twijfel door over de mogelijkheid van een rationalistische metafysica.De volledige werken van Kant zijn verschenen in de "Akademie Ausgabe" van de Preußischen Akademie der Wissenschaften, Berlin 1902 en de jaren daarna.Bij Meiner Verlag (Philosophischen Bibliothek) zijn veel werken van Kant afzonderlijk gepubliceerd, voorzien van een inleiding en commentaar/toelichting.


(citaat)
 "Objecten, en de grondbeginselen die aan de natuur van onze ziel worden ontleend, hebben een begrijpelijke geldigheid voor alle dingen voor zover die objecten van de zintuiglijkheid zijn. En net zo: als datgene wat in ons voorstelling heet, actief zou zijn ten opzichte van het object, d.w.z. als daardoor het object zou worden voortgebracht, zoals men zich de goddelijke kennisinhouden als de oerbeelden van de dingen voorstelt, dan zou eveneens de overeenstemming van de voorstelling met het object begrepen kunnen worden.

De mogelijkheid van zowel de intellectus archetypus (het verstand dat oerbeelden bevat), op de aanschouwing waarvan de dingen zelf gebaseerd zijn, als van de intellectus ectypus (het verstand dat kopieën bevat), dat de data voor logische bewerking uit de zintuiglijke aanschouwing van de dingen put, is dus op zijn minst begrijpelijk.
Maar ons verstand is door zijn voorstellingen noch de oorzaak van het object (behalve dan in de moraal van de goede doeleinden), noch is het object de oorzaak van de verstandsvoorstellingen (in sensu reali- in reële zin).
De zuivere verstandsbegrippen kunnen dus niet van zintuiglijke gewaarwordingen zijn geabstraheerd, noch ook de zintuiglijke ontvankelijkheid voor voorstellingen uitdrukken, maar moeten hun bronnen hebben in de natuur van de ziel; niet evenwel voor zover ze door het object worden veroorzaakt, of het object zelf voortbrengen."   (Immanuel Kant, brief aan Marcus Herz 22 feb 1772.)


De drie kritische werken van Kant
De Kritik der reinen Vernunft (''Kritiek van de zuivere rede'') is het eerste grote werk van de Duitse filosoof Immanuel Kant. Hij schreef het op 57-jarige leeftijd in (1781). Een tweede, op onderdelen ingrijpend gewijzigde versie, publiceerde hij in 1787.

Het is de eerste van zijn drie kritische werken, waarin hij de filosofie van de De Verlichting aan een zelfkritiek onderwerpt.
Hierbij richt hij zich zowel tegen het rationalisme van René Descartes, Baruch de Spinoza en Gottfried Wilhelm Leibniz als tegen het empirisme van John Locke en David Hume.
In deze eerste ''Kritik'' onderzoekt hij - zijns inziens met succes - of de filosofie een zelfstandige wetenschap is, naast de wiskunde en de natuurwetenschappen.


Centraal staat hierbij de vraag: 'Wat kan ik weten?'. Kant doelt hier op de vraag of de Rede (''Vernunft'') een zelfstandige bron is voor het verkrijgen van theoretische kennis.
Onder Rede verstaat hij het vermogen om de zintuiglijke werkelijkheid te overstijgen en daar niet meer afhankelijk van te zijn.
De Rede als het vermogen om te willen behandelt Kant in zijn tweede ''Kritiek'': de Kritik der praktischen Vernunft (''Kritiek van de praktische rede'') uit 1788.


Zijn Kritik der Urteilskraft (''Kritiek van het oordeelsvermogen'') uit 1790 behandelt de Rede als het reflecterende oordeelsvermogen.
Het kernpunt van zijn filosofie - mocht deze samen te vatten zijn in enkele regels -, waarvan hij ook al zijn latere conclusies en gevolgtrekkingen neemt, is dat de empirische waarnemingen, zoals die aan ons verschijnen, beoordeeld en geordend - naar ruimte en tijd - wordt door onze rede tot onze werkelijkheid.


De bron van de waarnemingen is het noumenale Ding-an-sich, dat op zichzelf onkenbaar is maar voor ons kenbaar wordt door de rationeel geordende fenomenen.Dit was de synthese tussen het empirisme en het rationalisme.
Op het gebied van ethiek vestigde hij zich op twee regels; dat we de mens altijd óók als doel op zich en nooit alleen als middel tot een doel mogen gebruiken, en ten tweede dat wij alles wat wij doen als algemene regel moeten kunnen èn willen laten gelden (bekend als het categorische imperatief).
Het is dus bijvoorbeeld niet goed te stelen, omdat de algemene regel dat stelen zou mogen zou resulteren in een chaotische wereld die wij zelf niet zouden willen.
De derde kritiek is een van de eerste werken in het relatief nieuwe domein van de filosofische esthetiek (Alexander Gottlieb Baumgarten was zijn tijdgenoot), die de term ''esthetiek'' reserveerde voor de reflectie over schoonheid.


Kant gebruikt de term in zijn eerste kritiek zelfs nog in de klassieke betekenis, als een leer van de ''waarneming''). Kant onderzoekt hierin de mogelijkheid van oordelen in het domein van de esthetiek en onderscheidt (subjectieve) smaakoordelen van aanspraken op schoonheid.
Citaat "Er kan geen twijfel over bestaan dat al onze kennis begint met ervaring.


Want hoe zou het kenvermogen tot activiteit kunnen worden gewekt, als dat niet gebeurde doordat objecten onze zintuigen beroeren en zo voor een deel vanzelf voorstellingen teweeg brengen, voor een deel de werkzaamheden van ons verstand aanzetten die voorstellingen te vergelijken, te verbinden of te scheiden, om zo het ruwe materiaal van zintuiglijke indrukken te verwerken tot de kennis van objecten die ervaring heet?"(Immanuel Kant, "Kritiek van de Zuivere Rede", B1,10, 1787'')

Ludwig Ernst Borowski, leerling en vriend van Kant, weet in zijn biografie van de filosoof aan te geven waar het idee voor de Kritiek van de zuivere rede ontstond: op een pleintje in Koningsbergen dat van oudsher 'der philosophische Gang' werd genoemd. In het jaar 1770 moet Kant daar de eerste invallen voor zijn kritische theorie hebben gekregen, tijdens een wandeling die in die jaren gewoonlijk volgde op het middagmaal bij zijn boezemvriend Jospeh Green.
''Deze Green, een Engelse koopman, was zo punctueel en hield er zo'n strakke dagindeling op na, dat hij Theodor Gottlieb von Hippel, een andere vriend van Kant, stof bood voor de komedie Der Mann nach der Uhr (1760).

Kant had eens met Green afgesproken 's ochtends om acht uur bij hem te zijn voor een gezamenlijk plezierritje. Green reed klokke acht weg en stopte niet toen hij meteen daarna Kant zag komen aanlopen.

Kant was zijn afspraak niet nagekomen, dus maakte hij zijn rijtoer alleen.
Voor zover bekend heeft Kant nooit een Liefdesrelatie|relatie gehad en overleed hij als maagd. Tijdens een diner voor vrienden te zijnen huize wist Kant echter een zodanige plaats te schikken dat hij met zijn goede oog een bevallige dame kon observeren.
Dat Kant's vader zadelmaker is geweest wordt in elk naslagwerk vermeld.

Het kan echter zijn dat diens beroep uit overweging van eerbied voor de geniale zoon te hoog is opgegeven en dat de man ''slechts'' riemensnijder is geweest.
  

"Ik vroeg me namelijk af op welke grond de betrekking tot het object berust van wat in ons voorstelling heet. Als de voorstelling" alleen de wijze bevat waarop het subject door het object wordt geprikkeld, dan is gemakkelijk te begrijpen hoe die voorstelling als een gevolg met haar oorzaak kan overeenstemmen, en hoe deze bepaling van onze geest iets kan voorstellen, d.w.z. een object kan hebben.

De passieve of zintuiglijke voorstellingen hebben dus een begrijpelijke betrekking tot deze periode van denken van Kant en kenmerkt zich door zijn zoektocht naar de grenzen van de menselijke kennis.
De eerste tekenen van zijn kritisch denken zijn volgens de vakfilosofen te vinden in zijn brief aan zijn vriend Marcus Herz (21 feb 1772).

Daarna volgde een periode van 10 jaar waarin hij weinig tot niets publiceerde en waarin hij zijn gedachten (zie onderstaand fragment) overdacht en probeerde te systematiseren. Het gaat erom hoe onze voorstellingen op de een of andere manier overeen kunnen komen met "de werkelijkheid".

 Het voor dit onderwerp relevante fragment van de brief luidde als volgt:In deze periode publiceerde Kant een groot aantal boeken en artikelen die alle in het teken stonden van de rationalisme/rationalistische denkwijze van de Verlichting. Metafysica kon een wetenschap zijn, mits zij dezelfde denkmethode hanteerde als de wiskunde. Ook ging hij er toen vanuit dat er een rationalistisch Godsbewijs mogelijk was, zoals hij betoogde in zijn ''Der einzig mögliche Beweisgrund zu einer Demonstration des Dasein Gottes.''

Freemasons


Biography of Manuel Piar and Simon Bolivar, Hero of Venezuelan Independence

By Christopher Minster

Manuel Piar, Venezuela's Pardo Hero:

General Manuel Carlos Piar (1777-1817) was an important leader of the independence from Spain movement in northern South America. A skilled naval commander as well as a charismatic leader of men, Piar won several important engagements against the Spanish between 1810 and 1817. After opposing Simon Bolivar, Piar was arrested in 1817 before being tried and executed under orders from Bolivar himself.

Early life of Manuel Piar:

Piar was born in Curacao: his father was a Spanish sailor and his mother a mulatto, or of mixed African-European descent. His mixed race would haunt him his whole career: by 1817 he believed that it had limited how far he would go as a soldier. At a young age, Piar moved to Venezuela with his mother. An extremely intelligent young man, he did not attend school but taught himself many materials and languages.

Piar and Venezuela's Pardos:

As a mixture of black and European, Piar was part of the class known as “pardos,” or “browns.” The pardos held a status one step up from blacks: they were free and many became skilled laborers, but held no positions of influence. In Venezuela, they were a powerful group, far outnumbering creole whites. During the battle for independence, Piar was able to recruit many pardos into his army. A Spanish officer once remarked that Piar was the rebel officer who frightened the Spanish the most: he could have ignited a race war had he wanted which might have turned Venezuela into the next Haiti.

Early Military Career

Starting off as a simple militiaman, Piar served in two revolutions before the age of 35. In Curacao, he helped kick out the British and restore Dutch rule, and in 1807 he went to Haiti to serve in the revolution there. In Haiti, his leadership skills were appreciated and he commanded a warship. He soon became well-known as a skilled military leader and commander. He naturally sympathized with independence movements, and in 1810 he joined the emerging Venezuelan Independence movement.

Piar During the First Venezuelan Republic

During the First Venezuelan Republic (1810-1812), he was made a second lieutenant and served on a ship in the port of Puerto Cabello. He was skilled enough to temporarily cut off Spanish shipping to the area in spite of limited resources. Like the rest of the leadership, he was forced briefly into exile in Trinidad in 1812 when the republic collapsed. But by 1813 he was back in Venezuela, fighting for independence alongside Santiago Meriño, Francisco Bermudez and others.

Manuel Piar and Simon Bolívar

Although they had much in common, Piar and Simón Bolívar never got along. In 1814, as the Second Venezuelan Republic collapsed, Bolívar sought refuge on Margarita Island, then controlled by Piar: Piar declared Bolívar an outlaw and ordered him arrested briefly. Although Piar later recognized Bolívar’s overall leadership, the Liberator never forgot the affront. In early 1817, Bolívar requested reinforcements from Piar as Spanish forces closed in on him, but Piar refused, preferring to see Bolívar taken out so that he could lead the struggle. Bolívar survived, but he knew he could not trust Piar after that.

Piar the Warlord:

Venezuela was a very chaotic place from 1813 to 1817. It was ruled by different warlords, some of whom, like Piar, fought for independence, and some of whom, like Tomas Boves, fought for Spain. Piar's power base was in Eastern Venezuela, and he occasionally allied himself with other leaders like Meriño or Bolivar, but he would just as often fight for his own interests. Bolívar was the most powerful of the warlords, but the others did not answer to him in anything resembling a chain of command. By 1817 Piar was ignoring most of the other warlords and fighting to free “his” area: the Venezuelan northeast and Guyana.

The Battle of San Felix:

On April 11, 1817, Piar recorded his greatest military victory at the Battle of San Felix. Piar’s rag-tag force of 500 riflemen, 800 spearmen, 500 archers and 400 horsemen met Spanish General La Torre and his force of 1600 well-trained and armed infantry, 200 cavalry and a handful of cannons. Piar’s force was largely comprised of untrained pardos and Indians, yet his tactical skills resulted in a massive victory over the Spanish. Some 400 royalists were killed and another 300 taken prisoner, to less than 100 killed or wounded on the patriot side. Piar ordered the slaughter of the royalist prisoners after the battle.

Insubordination

After San Felix, Bolívar visited Piar near Angostura and brought him back in line, but Piar always felt that it was he, not Bolívar, who should be leading the fight. When ordered to move on Guyana, Piar disobeyed and resigned his commission, claiming that he going to recruit soldiers in the interior of the country. In actuality, he had decided to take on Bolívar as well as the Spanish: he knew the pardos and blacks would flock to his cause. Correctly guessing Piar's intentions, Bolívar ordered his arrest. On July 27 1817, Piar was arrested and dragged back to Angostura tied on the back of a horse like a criminal.

Execution and Legacy of Manuel Piar

Piar was accused of desertion, sedition, insubordination and conspiracy. On October 16, 1817, Piar was taken against a wall and shot: he reportedly met his end bravely and gracefully. Bolívar was in town but did not attend.
The execution of Piar was a mixed benefit for Bolívar. On the plus side, it removed one of the greatest threats to his authority and one that he had personally clashed with on several occasions. Furthermore, it put the other warlords on notice that Bolívar was in charge and that they had better fall in line or meet a similar fate.
The execution of Piar was a costly one for the independence movement, however. Piar was an outstanding general and tactician, and his ability to recruit and keep pardo troops was unmatched. The only ones happier than Bolívar to see Piar go were undoubtedly the Spanish. The execution of this talented ally is a stain on the record of Bolívar, the Great Liberator, perhaps second only in abhorrence to his turning over of  Fransisco de Miranda to Spanish authorities in 1812.
Bolívar may have averted a bloodbath, however. Piar had become convinced that those of African descent would never hold power in Venezuela unless they took it for themselves: he himself was the perfect example. When he was arrested, Piar may have been trying to begin a race war, in which pardos and blacks would fight against all whites, whether they were Spanish or Creoles. Given the number of pardos and blacks in Venezuela, any uprising based on racial lines would likely have resulted in a Haiti-style massacre. Piar was no stranger to to-the-death warfare: the massacre of the prisoners after San Felix was hardly an exception, and he once ordered the slaughter of two dozen peaceful priests and monks at an isolated mission.
In spite of his ruthlessness and insubordination to the Great Liberator, history has been kind to Piar. He is considered one of the heroes of Venezuelan independence, and his race, once such a hurdle to his advancement, is now celebrated. Many Venezuelans of color regard him as "their" liberator. He has been symbolically interred in the Venezuelan Pantheon of heroes and an airport and a major, multi-million dollar dam have been named after him.
(Sources: Harvey, Robert. Liberators: Latin Amedrica's Struggle for Indeppendence Woodstock: The Overlook Press, 200).






Pedro Luis Brion

Philippus Lodovicus (Pedro Luis) Brión (Curacao 6 juli 1782-Curacao 27 september 1821  was een  Curacaos militair en patriot, die in de Venezolaanse onafhankelijkheidsoorlog aan de zijde van de opstandelingen vocht. Aan het einde van zijn carrière was hij was admiraal in de marine van Venezuela en Groot-Colombia

Afkomst
Zijn ouders waren de handelaar Pedro Luis Brión en zijn vrouw María Detrox, die beiden uit de zuidelijke (Oostenrijkse) Nederlanden afkomstig waren. Het gezin verhuisde naar Curacao  in 1777.
In 1794 zouden ze hun zoon naar Nederland om zijn studie af te maken.

Slag bij Bergen

Na de verovering van Nederland door de Fransen nam Brión dienst in het leger van de Bataafse republiek om de Britse invasie van Noord-Holland te helpen afslaan. Hij nam deel aan de veldslagen bij Slag bij Bergen  en Castricum.. Na door de Britten gevangengenomen te zijn werd hij in het kader van een gevangen ruil weer vrijgelaten na het bestand van Alkmaar.

 Curaçao

Na zijn terugkeer naar Curaçao was Brión betrokken bij de revolutionaire beweging op het eiland. Toen het eiland werd bezet door de Britten vluchtte hij naar de Verenigde Staten om economie en scheepvaartkunde te studeren. In 1803 keerde hij terug naar zijn geboorte-eiland toen dat door de Britten weer werd overgedragen aan de Nederlanders. Tussen 1803 en 1807 was Brión werkzaam als zakenman. Bij een aantal gelegenheden wist hij te voorkomen dat de Britten het eiland weer veroverden. Toen dat in 1807 toch gebeurde vluchtte Brión naar het Deense eiland Saint Thomas  waar hij zijn werkzaamheden als reder voortzette.

Venezolaanse onafhankelijkheidsoorlog

In 1813 werd hij betrokken bij de Venezolaanse onafhankelijkheidsoorlog en een jaar later werd hij door Simon Bolivar  benoemd tot de commandant van een fregat. In 1815 kocht hij in Engeland, het schip Dardo dat met 24 kanonnen was uitgerust. Met behulp van dit schip ondersteunde hij de opstandelingen bij Cartagena de Indias.
Na zijn promotie door Bolivar organiseerde hij verschillende expedities langs de kust van Venezuela. Op 2 mei 1816 versloeg Brión de Spanjaarden in de zeeslag bij Los Frailes. Op de dag van zijn overwinning werd bij benoemd tot admiraal door Bolivar. Door hun overwinning hadden de opstandelingen Isla Margaritha onder controle gekregen en daarmee de Venezolaanse kust tot aan Guayana. In 1817 richtte Brión de Venezolaanse Admiraliteit en het korps mariniers op.
Op 3 augustus 1817 zeilde hij met een eskader de rivier de Orinoco op. In de slag van Cabrián versloeg dit eskader een Spaanse vloot van 28 schepen. 14 Spaanse schepen werden buitgemaakt en 1500 zeelieden gevangengenomen. Op 5 november 1817 was Guyana bevrijd en werd Brión tot president van de regeringsraad benoemd. In oktober 1817 was hij voorzitter van de krijgsraad die  Manuel Carlos Piar ter dood veroordeelde.
In 1819 leidde Brión een expeditie van 22 schepen naar de kust van het vice-koninkrijk van Granada het tegenwoordige Columbia Samen met een leger onder leiding van generaal Mariano Motilla werden een aantal havensteden aan de mondingen van de Magdalena en de plaatsen Barrangquila en Santa Martabevrijd. Na een meningsverschil met Motilla over hoe de veldtocht verder zou moeten worden geleid, trok Brión zijn vloot terug naar Maracaibo in mei 1821.

Panteón Nacional

Dood

Brión leed aan tuberculose  en besloot vanwege het terminale stadium van zijn ziekte in september 1821 terug te keren naar zijn geboorte-eiland. De dag na zijn aankomst overleed hij. In eerste instantie werd hij begraven op het landgoed van zijn familie. De Plantage Rozentak. Op 10 april 1882 werden zijn overblijfselen overgebracht naar het Panteón Nacional in de hoofdstad van Venezuela, Caracas.
Hierliggen naast Brión een aantal andere belangrijke personen uit de geschiedenis van Venezuela begraven, zoals Simon Bolivar.



Simon Bolivar


Simón José Antonio de la Santísima Trinidad Bolívar y Palacios Ponte y Blanco (Spanish pronunciation: [siˈmon
boˈliβar]; July 24, 1783December 17, 1830), commonly known as Simón Bolívar, was a Venezuelan military and political leader. Together with José de San Martín, he played a key role in Hispanic-Spanish America's successful
struggle for independence from the Spanish Empire, and is today considered one of the most influential politicians in Latin American history.
Following the triumph over the  Spanish Monarchy, Bolívar participated in the foundation of the first union of independent nations in Hispanic-America, a republic, which was named  Gran Colombia, and of which he was president from 1819 to 1830. Bolívar remains regarded in Hispanic-America as a hero, visionary, revolutionary, and liberator.
During his lifetime, he led Colombia, Venezuela, Ecuador, and Bolivia to independence, and helped lay the foundations for democratic ideology in much of Latin America.
Bolívar family Birthplace of Simón Bolívar in Caracas, Venezuela.
The surname Bolívar derives from the Bolívar  aristocrats who came from a
small village in the Basque Country, Spain, called La Puebla de Bolívar.

His father came from the male line of the de Ardanza family.
Hismaternal grandmother, however, was descended from some families from the
Canary Islands that settled in the country.

The Bolívars settled in Venezuela in the sixteenth century. His first South
American Bolívar ancestor was Simón de Bolívar (or Simon de Bolibar; the
spelling  was not standardized until the nineteenth century), who lived and
worked with the governor of the Santo Domingo from 1550 to 1570.
When the governor of Santo Domingo was reassigned to Venezuela in 1589, Simón
de Bolívar came with him. As an early settler in Caracas Province, he became prominent in the local society and he and his descendants were granted estates, encomiendas, and positions in the Caracas cabildo.
The social position of the family is illustrated by the fact that when the Caracas Cathedral was built in 1594, the Bolívar family had one of the first dedicated side chapels.
The majority of the wealth of Simón de Bolívar's descendants came from the estates.
The most important of these estates was a sugar plantation with an encomiendathat provided the labor needed to run the estate.

In later centuries, slave and free black labor would have replaced
most of the encomienda labor. Another portion of Bolívar wealth came from the silver, gold, and more importantly, copper  mines in Venezuela. In 1632, small gold deposits first were mined in Venezuela, leading to further discoveries of much more extensive copper deposits. From his mother's side, the Palacios family, Bolívar inherited the copper mines at Cocorote. Slaves provided the majority of the labor in these mines.
Toward the end of the seventeenth century, copper exploitation became so prominent in Venezuela that it became known as  Cobre Caracas  ("Caracas copper"). Many of the mines became the property of the Bolívar family.
Bolívar's grandfather, Juan de Bolívar y Martínez de Villegas, paid 22,000 ducats to the monastery at Santa Maria de Montserrat in 1728 for a title of nobility that had been granted by the king, Philip V of Spain, for its maintenance.


The crown never issued the patent of nobility, and so the purchase became the subject of lawsuits that were still Simón Bolívar
going on during Bolívar's lifetime, when independence from Spain made the point moot. (If successful, Bolívar's older brother, Juan Vicente, would have become the Marqués de San Luis and Vizconde de Cocorote.) Bolívar was
able to use his family's immense wealth to finance his revolutionary efforts.


Early life
An 18th century portrait of Juan Vicente
Bolívar y Ponte, father of Simón Bolívar.
Although some people believe he was actually born in the Bolívar residence
located in San Mateo in Aragua State, which belonged to the Caracas
province by 1783, it is officially claimed that Simón Bolívar was born in
Caracas, Captaincy General of Venezuela (now the Bolivarian Republic of
Venezuela), on July 24, 1783 and he was baptized as Simón José Antonio de
la Santísima Trinidad Bolívar y Palacios. His mother was Doña María de la
Concepción Palacios y Blanco and his father was Coronel Don Juan Vicente
Bolívar y Ponte. He had two older sisters and a brother: María Antonia,
Juana, and Juan Vicente. Another sister, María del Carmen, died at birth.
[6]
The circumstances of Bolívar's parents forced them to entrust the baby Simón
Bolívar to the care of Doña Ines Manceba de Miyares and the family's slave
la negra Hipolita. A couple of years later Bolívar returned to the love and
care of his parents, but this traumatic experience would have a severe effect
on Bolívar's life. By his third birthday, his father Juan Vicente had died.

Bolívar by José Gil de Castro in 1825.
Bolívar's father died when Bolívar was two and a half years old.
Bolívar's mother, Maria Concepción de Palacios y Blanco, died when he was
approaching nine years of age.
He then was placed in the custody of a severe
instructor, Miguel José Sanz, but this relationship did not work out and he
was sent back to his home.
In an effort to give Bolívar the best education possible, he received private lessons from the renowned professors  Andrés Bello, Guillermo Pelgrón, Jose Antonion Negrete, Fernando Vides, Father Andújar, and the most influential of all, Don Simón Rodríguez, formerly
known as Simón Carreño. Don Simón Rodriguez was later to become
Bolívar's friend and mentor, and he instilled in the young man the ideas of
liberty, enlightenment, and freedom.

In the meantime, all the love, affection, and attention given to Bolívar was
from his nanny, Hipólita. Hipólita gave the young Bolívar all the affection he
needed and indulged him in all his wishes and desires.
His instructor Don Simón understood the young Bolívar's personality and inclinations, and tried from the very beginning to be an empathetic friend.
They took long walks through the countryside and climbed mountains.
Don Simón taught Bolívar how to swim and ride horses, and, in the process, taught him about liberty, human rights, politics, history, and
sociology.


Military career

When Bolívar was fourteen, his private instructor and mentor Simón Rodríguez had to abandon the country, as he
was accused of being involved in a conspiracy against the Spanish government in Caracas. Thus, Bolívar entered the
military academy of the Milicias de Veraguas, which his father had directed as colonel years earlier. Through these
years of military training, he developed his fervent passion for armaments and military strategy, which he later
would employ on the battlefields of the wars of independence.
A few years later, while in Paris, Bolívar witnessed
the coronation of Napoleon in Notre Dame, and this majestic event left a profound impression upon him. From that moment he wished that he could emulate similar triumphant glory for the people of his native land.

El Libertador Bolívar at the age of 21

Bolívar returned to Venezuela in 1807.
In 1813 he was given a military command in Tunja, New Granada (modern
day Colombia), under the direction of the Congress of United Provinces of
New Granada, which had formed out of the juntas established in 1810.
This was the beginning of the famous  Admirable Campaign.

He entered Mérida on May 23, where he was proclaimed as El Libertador.
That event was followed by the occupation of Trujillo on June 9.
Six days later, on June 15, he dictated his famous Decree of War to the Death.
Caracas was retaken on August 6, 1813 and Bolívar was ratified as "El Libertador", thus
proclaiming the restoration of the Venezuelan republic.

Due to the rebellion of José Tomás Boves in 1814 and the fall of the republic, he returned to New Granada, where he then commanded a force for the United Provinces and
entered Bogotá in 1814, recapturing the city from the dissenting republican
forces of Cundinamarca. He intended to march into Cartagena and enlist the
aid of local forces in order to capture Royalist Santa Marta.
In 1815, after a number of political and military disputes
with the government of Cartagena, however, Bolívar fled to Jamaica, where he was denied support and an attempt was made on his life, after which he fled to Haiti, where he was granted sanctuary and protection. 
He befriended Alexandre Pétion, the leader of the newly independent country, and petitioned him for aid.

Bolívar and Francisco de Paula Santander during the Congress of Cúcuta, October 1821.
In 1817, with Haitian soldiers and vital material support (on the condition that
he abolish slavery), Bolívar landed in Venezuela and captured Angostura
(now  Ciudad Bolívar). At that time, Venezuela remained a captaincy of
Spain, however, and Bolívar decided that he would first fight for the
independence of New Granada (which was a vice royalty), intending later to
consolidate the independence of Venezuela and other less politically
important Spanish territories.

The campaign for the independence of New Granada was consolidated with
the victory at the Battle of Boyacá  in 1819.
From this newly consolidated base of power, Bolívar launched outright independence campaigns in Venezuela and  Ecuador, and these campaigns were concluded with the
victories at the  Battle of Carabobo  in 1821 and the  Battle of Pichincha  in
1822. On September 7, 1821 the Gran Colombia (a state covering much of
modern  Colombia,  Panama,  Venezuela,  Ecuador, northern  Peru, and
northwest of Brazil) was created, with Bolívar as president and Francisco de
Paula Santander as vice president.

On July 26 and 27 of 1822, Bolívar held the Guayaquil conference with the Argentinian General José de San Martín, who had received the title of Protector of Peruvian Freedom in August 1821 after having partially liberated Peru from the Spanish.
Thereafter, Bolívar took over the task of fully liberating Peru.

The Peruvian congress named him dictator of Peru on February 10, 1824, which allowed Bolívar to reorganize completely the political and military administration. Assisted by Antonio José de Sucre, Bolívar decisively defeated the Spanish cavalry at the Battle of Junín on August 6, 1824.
Sucre destroyed the still numerically superior remnants of the Spanish forces at Ayacucho
on December 9, 1824.
On August 6, 1825, at the Congress of Upper Peru, the "Republic of Bolivia" was created. Bolívar is thus one of the few men to have a country named after him.


Battle of Carabobo, June 24, 1821
 Bolívar had great difficulties maintaining control of the vast Gran
Colombia.
In 1826, internal divisions had sparked dissent throughout the nation, and regional uprisings erupted in Venezuela. The new South American union had revealed its
fragility and appeared to be on the verge of collapse.
To preserve the union, an amnesty was declared and an arrangement was
reached with the Venezuelan rebels, but this increased the political
dissent in neighboring New Granada. In an attempt to keep the
nation together as a single entity, Bolívar called for a
constitutional convention at Ocaña during April 1828.

Battle of Junín
August 1824 Bolívar's dream had been to engender an American
Revolution-style federation among all the newly independent republics, with a government set up solely to recognize and uphold the rights of the individual. This dream had succumbed to the pressures of particular interests throughout the region, which rejected that model and had little or no allegiance to liberal principles.

For this reason, and to prevent a break-up, Bolívar sought to implement a more centralist model of government in Gran Colombia, including some or all of the elements of the Bolivian constitution he had written, which included a lifetime presidency with the ability to select a successor (although theoretically, this presidency was held in check by an intricate system of balances). This move was considered controversial in New Granada and was one of the reasons the deliberations in favor of such a constitution met with strong opposition at the Convention of Ocaña, which met from April 9 to June 10, 1828. The convention almost ended up drafting a document which would have implemented a radically federalist form of government, which would have greatly reduced the powers of a central administration. Unhappy with what would be the ensuing result, pro-Bolívar delegates withdrew from the convention, leaving it moribund.
After the failure of this congress to write a new constitution, Bolívar proclaimed himself dictator on August 27, 1828 through the Decree of Dictatorship. He considered this as a temporary measure, as a means to reestablish his  authority and save the republic, although it increased dissatisfaction and anger among his political opponents. An assassination attempt on September 25, 1828 failed, thanks to the help of his lover, Manuela Sáenz. Bolívar  
 afterward described Manuela as  Libertadora del Libertador  (the liberator of the liberator). Although Bolívar  emerged safely from the attempt, this nevertheless greatly affected him. Dissent continued, and uprisings occurred inSimón Bolívar 6 New Granada, Venezuela, and Ecuador during the next two years.


Death
Bolívar's death by Venezuelan painter Antonio Herrera
Toro Saying, "all who served the Revolution have plowed the sea", Bolívar finally resigned his presidency on April 27, 1830, intending to leave the country for exile in Europe, possibly in France. He already had sent several crates (containing his belongings and writings, which he had selected) ahead of him to Europe, but he died before setting sail.
On December 17, 1830, at the age of forty-seven, Simón Bolívar died after a painful battle with tuberculosis in the Quinta de San Pedro Alejandrino in Santa Marta, Gran Colombia  (now Colombia). On his deathbed, Bolívar asked his aide-de-camp, General Daniel F. O'Leary  to burn the remaining, extensive archive of his writings, letters, and speeches. O'Leary disobeyed the order and his writings survived, providing historians with a vast wealth of information about Bolívar's liberal philosophy and thought, as well as details of his personal life, such as his longstanding love affair with Manuela Sáenz.

Shortly before her own death in 1856, Sáenz augmented this collection by giving O'Leary her own letters from Bolívar. Simón Bolívar Memorial Monument, standing in Santa
Marta (Colombia) at the Quinta de San Pedro Alejandrino
His remains were buried in the cathedral of Santa Marta. Twelve years later, in 1842, at the request of President José Antonio Páez, they were moved from Santa Marta to Caracas, where a monument was set up for his interment in the National Pantheon of Venezuela. The 'Quinta' near Santa Marta has been preserved as a museum with numerous references to his life.

In 2010, symbolic remains of Bolívar's lover, Manuela Sáenz, were interred
by his side during a national ceremony reuniting them and
honoring her role in the liberations.
On January 2008, President of Venezuela Hugo Chávez set up a Commission to investigate theories indicating that Bolívar could have been the victim of an assassination.

On several occasions, Chavez has claimed that Bolívar was in fact poisoned
by "New Granade traitors".

In April 2010, infectious diseases specialist Paul Auwaerter studied existing records
of Bolívar's symptoms and concluded that he may have suffered from chronic arsenic poisoning, but considered that
both acute poisoning and murder were unlikely.
In July 2010, Bolívar's body was ordered to be exhumed to
advance the investigations.
In July 2011, international forensics experts released their report claiming there was
no proof of poisoning or other unnatural cause of death.

donderdag 15 december 2011

Higgs

Simon Rozendaal, een wetenschappelijk redacteur van Elsevier twitterde  in zijn webblog of de hele euforie rond het Higgsdeeltje de 4 miljard euro, die ondertussen in dit onderzoeks project was gestoken, het wel waard was. Ik vind van wel.  Zonder een wetenschappelijke achtergrond dagdroomde en fantaseerde ik altijd al over het onmogelijke. Verschillende dimensies in het universum, verplaatsingen sneller dan Einsteins lichtsnelheid en  tijdreizen. En op die vraag van Rozendaal zeg ik, ja en voor mijn part gooien ze nog een keer 4 miljard tegen aan, beter zo dan het twintigvoudigde van die 4 miljard uitgeven in wrede onmenselijke oorlogen en die per definitie niets nada opleverd.

dinsdag 13 december 2011

Bala

Ik was gebeld door zijn dochter. "Mijn vader ligt in het ziekenhuis" Alweer? reageerde ik, wat is er dan gebeurd? Het is zijn hart zei ze, maar is nu gelukkig stabiel. Goed zei ik,  ik kom hem vanavond opzoeken.
Bala,  (hij heet voluit Balaiswharan) was de burgeroorlog ontvlucht uit zijn land Sri Lanka.
Toen ik Bala voor het eerst leerde kennen en hoorde dat hij uit Sri Lanka kwam en een Tamil, dacht ik onmiddellijk aan de naam Tamil Tijgers. Ik wist weinig over de politieke situatie op Sri Lanka, alleen dat de Tamil Tijgers een bevrijdingsleger was die voor een zelfstandig Tamil Elam vochten.

 De Singalese bevolkingsgroep, die voor het merendeel boeddhistisch is, maakt 74 % van de bevolking uit en domineert het land. De Tamils, die grotendeels Hindoe en Christen zijn, maken maar 18 % van de totale bevolking uit, maar vormen wel de overgrote meerderheid in de noordelijke en oostelijke streken van het land.
De Tamils en de Singalezen hebben beide een eigen cultuur, taal, geloof en afkomst. Voordat de Portugezen het eiland Ceylon veroverden bestond het namelijk uit vier koninkrijken waarvan drie in handen waren van Tamils en één van Singalezen.
Nadat Ceylon onafhankelijk werd kwam er een regering voor heel Ceylon, waarin de Singalezen het voor het zeggen en Tamils werden onderdrukt. Hierdoor konden de Singalezen de naam Ceylon veranderen in Sri Lanka wat letterlijk in het Singalees "Het gezegende eiland" betekent.
Door dit soort veranderingen kregen de Tamils steeds minder te zeggen, en voelden zich daardoor ook minder Sri Lankaans. Dit motiveerde de Tamils voor een eigen land zoals vóór het koloniale tijdperk. We (vrouw van Bala en Sujah de dochter) zaten rond het bed waar Bala lag. Hij zag er, behalve dat er een infuus aan zijn pols zit, niet zo erg ziek uit, maar dat was natuurlijk uiterlijke schijn. Sujah de dochter van Bala memoreerde dit treffend toen ze haar verhaal vertelde over de strijd van de Tamils.
Ze zei: het is dezelfde strijd als van de Molukkers. Ik keek haar verrast en verbaast aan. Ze moest 8 jaar geweest zijn toen ze met haar ouders zusje en twee broertjes via India naar het buitenland vluchten toen de strijd in alle hevigheid losbarstte. Door die ene zin van Sujah sloeg ik enkele pagina's over aan informatie over Sri Lanka en de strijd van de Tamil Tijgers, want het vrijheidsideaal van de RMS was mij ook met de paplepel ingegoten. Toen de Tamils langs politieke weg de idealen van de Tamil bevolking niet voor elkaar konden krijgen, ontbrande een jarenlange en zeer gewelddadige strijd  tussen de  Tamil Tijgers en de regeringssoldaten waarin tienduizenden slachtoffers (hoofdzakelijk burgers) vielen. 
Bala zag er, net als de meeste mensen met wie ik zeer goed bevriend raakte en (achteraf) een zeer indrukwekkende levensgeschiedenis hadden, erg breekbaar uit. Klein circa 1.65 m en enkele kilo's boven zijn gewicht. Hij sleepte een beetje met zijn rechterbeen alsof zijn rechterbeen iets korter was.
Op 9 jarige leeftijd was hij aangereden door een auto waardoor hij enkele ribben brak en zijn hand. In zijn pubertijd kreeg hij een motorongeluk hierdoor brak hij weer enkele ribben en alle tanden uit zijn mond. Bala vertelde lachend dat hij het asfalt letterlijk uit zijn mond moest spugen.
Toen de burgeroorlog daarna uitbrak raakte Bala toen hij naar een vriend liep, op straat beland in een vuurgevecht tussen regeringssoldaten en de Tamil Tijgers.
Bala werd door een kogel van achteren geraakt. De kogel doorboorde zijn rechterzij boven de heup en waar het projectiel het lichaam verliet ontstond een gapend wond. Bala werd zwaar gewond naar het ziekenhuis gebracht waar hij (lachte toen hij het vertelde) zonder verdoving werd dichtgenaaid, gewoon omdat er niet voldoende morfine was om aan iedereen toe te dienen. Er werden op die dag dat Bala zwaar gewond raakte, 200 gewonden het ziekenhuis in gedragen.
Bala ontvluchte Sri Lanka omdat hij het voor zijn gezin te gevaarlijk vond.
 Hij was ook de voortdurende bombardementen van het leger ook moe. Iets verderop achter zijn huis heeft hij een bunker gegraven onder een boom en vertelde lachend dat de piloten nooit een boom zouden aanvallen laten staan er een bom op gooien. Daar verblijft het gezin als de situatie dreigend begon te worden. Bala is volgens mij er eentje van 12 ambachten en dertien ongelukken.
Hij was zijn vrouw, die hoogzwanger was,  ooit letterlijk verloren onderweg toen hij met zijn motor een weg bereed die vol met hobbels en  kuilen was. Deze anekdote was zelf opgetekend door zijn vrouw die de humor er ook wel van in zag. Ze zei toen ik van de motor viel heb ik met mijn armen m'n buik zoveel mogelijk proberen te beschermen. Bala heeft niet eens gemerkt dat ze eraf gevallen was.
Vrij recent, vorig jaar  (2010) was hij ook in ziekenhuis beland met een ontwrichte schouder en gekneusde ribben omdat hij met zijn scooter werd aangereden door een auto.
Maar het allerergste wat het gezin  Balaiswharan was overkomen, was het overlijden van de jongste zoon en broertje Seon in datzelfde jaar. Na jarenlange ziektebed heeft zijn lichaam het opgegeven.
Zwaar aangeslagen door dit verlies maakte het gezin een zeer traumatische periode door. Geen enkele moeder wil het ooit meemaken dat ze hun kinderen overleven zei ze toen we Bala opzochten in het ziekenhuis. Het is wat anders dan het verliezen van je man  onderwijl glimlachend kijkend naar Bala die op zijn beurt weer quasi beteuterd kijkt.
Hoewel het als grap bedoelt was zag ik in haar blik nog steeds de intense verdriet die ze nog steeds maar moeilijk kan verwerken. Haar oudse zoon die nu in Zweden woont, een eigen bedrijf  heeft, zei onlangs nog dat ze maar naar Zweden moesten verhuizen.
Maar ze wil niet uit het huis waar haar zoon Sayon overleden was. Ik was uitgenodigd om de ceremonie samen met mijn zus Toos en zwager Joop bij te wonen. Enkele weken later was ik ook bij de asverstrooiing op de wadden zee geweest. Crematie en de ritualen op zee vanaf een zeilschip, hebben een zeer diepe indruk bij me achtergelaten. Met dit beeld nog vers in mijn geheugen verliet ik het Wilhelmina ziekenhuis en draaide ik me nog een keer om bij de uitgang. Bala stond daar met zijn vrouw en dochter Sujah.
Ik zei lachend, ik wacht buiten wel dan kunnen jullie elkaar nog even vastpakken en zoenen. Bala lachte, zijn ene arm om zijn vrouw geslagen de andere hield de mobiele infuus vast.
De vooruitzichten waren als dreigende onweerswolken boven het door pech achtervolgde gezin Balaiswharan. Voor Bala, die ondanks de opeenvolging van bijzondere gebeurtenissen vanaf zijn kindertijd, onaangeslagen leek, hoop ik dat dit keer de God Brahman waar hij in gelooft hem dit keer gunsig gezind is.