Imannuel Kant
Een aantal keren heb ik tijdens lezingen met een bepaalt thema (filosofie bijv) de naam Kant horen vallen.
Ik ken de filosoof niet en heb even in Wiki gebladerd met name over zijn levensloop.
(copie uit wikipedia)
Kant was de vierde van negen kinderen van een arme zadelmaker.
Dankzij de welwillendheid van een dominee kon Kant op achtjarige leeftijd het Collegium Fridericianum, een Latijnse school, in zijn geboorteplaats bezoeken.
Op zijn zestiende ging hij daar naar de universiteit, waar hij eerst theologie en vervolgens filosofie en wis- en natuurkunde studeerde.
Na zijn afstuderen op 22-jarige leeftijd verdiende hij de kost als huisonderwijzer in zijn woonplaats.
Op de universiteit van Koningsbergen kon hij pas negen jaar later, in 1755, (onbetaald, want het was een erefunctie!) een aanstelling als privaatdocent krijgen.
Hij gaf in deze functie tot 1770 openbare colleges in onder meer logica, metafysica, ethiek, wiskunde en fysische geografie. Hij promoveerde in 1755 op een in het Latijn geschreven proefschrift, getiteld "''Principiorum primorum cognitionis metaphysicae''" (vaak aangehaald als: Nova Dilucidatio.
Duitse vertaling: ''Eine neue Beleuchtung der ersten Prinzipien aller metaphysischen Erkenntniβ''. Nederlands: Een nieuw licht op de eerste principes van alle metafysische kennis.)In 1770 werd Kant hoogleraar in metafysica (wetenschap) en logica aan de filosofische faculteit van de universiteit van Koningsbergen. Hij gaf colleges filosofie tot 1796. Hij overleed in 1804.
Immanuel Kant behoort tot de moderne filosofen. Zijn invloed op de terreinen van filosofie, ethiek, theologie, strafrecht, volkenrecht en esthetiek werkt door tot op de dag van vandaag, en is nog steeds actueel.
In het werk van Kant zijn twee duidelijke periodes te onderscheiden: zijn voorkritische periode en zijn kritische periode. Als grens tussen deze twee periodes wordt in de filosofische literatuur als regel het jaar 1781 aangehouden.
In dit jaar verscheen zijn Kritik der reinen Vernunft]. Het verschil tussen deze periodes is het volgende. De vraag of er een rationalisme|rationalistische metafysica mogelijk is, beaamt Kant in zijn voorkritische periode in navolging van Gottfried Wilhelm Leibniz|Leibniz en Christian Wolff (rechtsgeleerde)|. In zijn kritische periode neemt hij hier afstand van.
De overgang tussen beide periodes is echter vloeiend. Al vanaf 1769/1770 klonk in de boeken en brieven van Kant twijfel door over de mogelijkheid van een rationalistische metafysica.De volledige werken van Kant zijn verschenen in de "Akademie Ausgabe" van de Preußischen Akademie der Wissenschaften, Berlin 1902 en de jaren daarna.Bij Meiner Verlag (Philosophischen Bibliothek) zijn veel werken van Kant afzonderlijk gepubliceerd, voorzien van een inleiding en commentaar/toelichting.
(citaat)
"Objecten, en de grondbeginselen die aan de natuur van onze ziel worden ontleend, hebben een begrijpelijke geldigheid voor alle dingen voor zover die objecten van de zintuiglijkheid zijn. En net zo: als datgene wat in ons voorstelling heet, actief zou zijn ten opzichte van het object, d.w.z. als daardoor het object zou worden voortgebracht, zoals men zich de goddelijke kennisinhouden als de oerbeelden van de dingen voorstelt, dan zou eveneens de overeenstemming van de voorstelling met het object begrepen kunnen worden.
De mogelijkheid van zowel de intellectus archetypus (het verstand dat oerbeelden bevat), op de aanschouwing waarvan de dingen zelf gebaseerd zijn, als van de intellectus ectypus (het verstand dat kopieën bevat), dat de data voor logische bewerking uit de zintuiglijke aanschouwing van de dingen put, is dus op zijn minst begrijpelijk.
Maar ons verstand is door zijn voorstellingen noch de oorzaak van het object (behalve dan in de moraal van de goede doeleinden), noch is het object de oorzaak van de verstandsvoorstellingen (in sensu reali- in reële zin).
De zuivere verstandsbegrippen kunnen dus niet van zintuiglijke gewaarwordingen zijn geabstraheerd, noch ook de zintuiglijke ontvankelijkheid voor voorstellingen uitdrukken, maar moeten hun bronnen hebben in de natuur van de ziel; niet evenwel voor zover ze door het object worden veroorzaakt, of het object zelf voortbrengen." (Immanuel Kant, brief aan Marcus Herz 22 feb 1772.)
De drie kritische werken van Kant
De Kritik der reinen Vernunft (''Kritiek van de zuivere rede'') is het eerste grote werk van de Duitse filosoof Immanuel Kant. Hij schreef het op 57-jarige leeftijd in (1781). Een tweede, op onderdelen ingrijpend gewijzigde versie, publiceerde hij in 1787.
Het is de eerste van zijn drie kritische werken, waarin hij de filosofie van de De Verlichting aan een zelfkritiek onderwerpt.
Hierbij richt hij zich zowel tegen het rationalisme van René Descartes, Baruch de Spinoza en Gottfried Wilhelm Leibniz als tegen het empirisme van John Locke en David Hume.
In deze eerste ''Kritik'' onderzoekt hij - zijns inziens met succes - of de filosofie een zelfstandige wetenschap is, naast de wiskunde en de natuurwetenschappen.
Centraal staat hierbij de vraag: 'Wat kan ik weten?'. Kant doelt hier op de vraag of de Rede (''Vernunft'') een zelfstandige bron is voor het verkrijgen van theoretische kennis.
Onder Rede verstaat hij het vermogen om de zintuiglijke werkelijkheid te overstijgen en daar niet meer afhankelijk van te zijn.
De Rede als het vermogen om te willen behandelt Kant in zijn tweede ''Kritiek'': de Kritik der praktischen Vernunft (''Kritiek van de praktische rede'') uit 1788.
Zijn Kritik der Urteilskraft (''Kritiek van het oordeelsvermogen'') uit 1790 behandelt de Rede als het reflecterende oordeelsvermogen.
Het kernpunt van zijn filosofie - mocht deze samen te vatten zijn in enkele regels -, waarvan hij ook al zijn latere conclusies en gevolgtrekkingen neemt, is dat de empirische waarnemingen, zoals die aan ons verschijnen, beoordeeld en geordend - naar ruimte en tijd - wordt door onze rede tot onze werkelijkheid.
De bron van de waarnemingen is het noumenale Ding-an-sich, dat op zichzelf onkenbaar is maar voor ons kenbaar wordt door de rationeel geordende fenomenen.Dit was de synthese tussen het empirisme en het rationalisme.
Op het gebied van ethiek vestigde hij zich op twee regels; dat we de mens altijd óók als doel op zich en nooit alleen als middel tot een doel mogen gebruiken, en ten tweede dat wij alles wat wij doen als algemene regel moeten kunnen èn willen laten gelden (bekend als het categorische imperatief).
Het is dus bijvoorbeeld niet goed te stelen, omdat de algemene regel dat stelen zou mogen zou resulteren in een chaotische wereld die wij zelf niet zouden willen.
De derde kritiek is een van de eerste werken in het relatief nieuwe domein van de filosofische esthetiek (Alexander Gottlieb Baumgarten was zijn tijdgenoot), die de term ''esthetiek'' reserveerde voor de reflectie over schoonheid.
Kant gebruikt de term in zijn eerste kritiek zelfs nog in de klassieke betekenis, als een leer van de ''waarneming''). Kant onderzoekt hierin de mogelijkheid van oordelen in het domein van de esthetiek en onderscheidt (subjectieve) smaakoordelen van aanspraken op schoonheid.
Citaat "Er kan geen twijfel over bestaan dat al onze kennis begint met ervaring.
Want hoe zou het kenvermogen tot activiteit kunnen worden gewekt, als dat niet gebeurde doordat objecten onze zintuigen beroeren en zo voor een deel vanzelf voorstellingen teweeg brengen, voor een deel de werkzaamheden van ons verstand aanzetten die voorstellingen te vergelijken, te verbinden of te scheiden, om zo het ruwe materiaal van zintuiglijke indrukken te verwerken tot de kennis van objecten die ervaring heet?"(Immanuel Kant, "Kritiek van de Zuivere Rede", B1,10, 1787'')
Ludwig Ernst Borowski, leerling en vriend van Kant, weet in zijn biografie van de filosoof aan te geven waar het idee voor de Kritiek van de zuivere rede ontstond: op een pleintje in Koningsbergen dat van oudsher 'der philosophische Gang' werd genoemd. In het jaar 1770 moet Kant daar de eerste invallen voor zijn kritische theorie hebben gekregen, tijdens een wandeling die in die jaren gewoonlijk volgde op het middagmaal bij zijn boezemvriend Jospeh Green.
''Deze Green, een Engelse koopman, was zo punctueel en hield er zo'n strakke dagindeling op na, dat hij Theodor Gottlieb von Hippel, een andere vriend van Kant, stof bood voor de komedie Der Mann nach der Uhr (1760).
Kant had eens met Green afgesproken 's ochtends om acht uur bij hem te zijn voor een gezamenlijk plezierritje. Green reed klokke acht weg en stopte niet toen hij meteen daarna Kant zag komen aanlopen.
Kant was zijn afspraak niet nagekomen, dus maakte hij zijn rijtoer alleen.
Voor zover bekend heeft Kant nooit een Liefdesrelatie|relatie gehad en overleed hij als maagd. Tijdens een diner voor vrienden te zijnen huize wist Kant echter een zodanige plaats te schikken dat hij met zijn goede oog een bevallige dame kon observeren.
Dat Kant's vader zadelmaker is geweest wordt in elk naslagwerk vermeld.
Het kan echter zijn dat diens beroep uit overweging van eerbied voor de geniale zoon te hoog is opgegeven en dat de man ''slechts'' riemensnijder is geweest.
"Ik vroeg me namelijk af op welke grond de betrekking tot het object berust van wat in ons voorstelling heet. Als de voorstelling" alleen de wijze bevat waarop het subject door het object wordt geprikkeld, dan is gemakkelijk te begrijpen hoe die voorstelling als een gevolg met haar oorzaak kan overeenstemmen, en hoe deze bepaling van onze geest iets kan voorstellen, d.w.z. een object kan hebben.
De passieve of zintuiglijke voorstellingen hebben dus een begrijpelijke betrekking tot deze periode van denken van Kant en kenmerkt zich door zijn zoektocht naar de grenzen van de menselijke kennis.
De eerste tekenen van zijn kritisch denken zijn volgens de vakfilosofen te vinden in zijn brief aan zijn vriend Marcus Herz (21 feb 1772).
Daarna volgde een periode van 10 jaar waarin hij weinig tot niets publiceerde en waarin hij zijn gedachten (zie onderstaand fragment) overdacht en probeerde te systematiseren. Het gaat erom hoe onze voorstellingen op de een of andere manier overeen kunnen komen met "de werkelijkheid".
Het voor dit onderwerp relevante fragment van de brief luidde als volgt:In deze periode publiceerde Kant een groot aantal boeken en artikelen die alle in het teken stonden van de rationalisme/rationalistische denkwijze van de Verlichting. Metafysica kon een wetenschap zijn, mits zij dezelfde denkmethode hanteerde als de wiskunde. Ook ging hij er toen vanuit dat er een rationalistisch Godsbewijs mogelijk was, zoals hij betoogde in zijn ''Der einzig mögliche Beweisgrund zu einer Demonstration des Dasein Gottes.''
Geen opmerkingen:
Een reactie posten