No comment

zondag 18 december 2011

E=MC2 voor Higgs


E=MC2  Energie is gelijk aan massa
De beroemde vergelijking van Albert Einstein
Ruimte is verbonden met tijd . Eerst was er de ruimte en tegelijk hiermee eigenlijk ook de tijd.
Het universum is een grote mysterie en haar ontstaan een geheim en er is tot op heden, althans wetenschappelijk gezien, geen verklaring hiervoor.
(George Lemaitre)
Ergens in de jaren twintig was er een Belgische pater Georges Lemaitre die een idee heeft over het ontstaan van het universum. Hij introduceerde de term De Big Bang de explosie de oerknal in ons scheppingsverhaal.
Volgens Lemaitre was het universum zoals wij die kennen, hierdoor ontstaan.
Het universum begon met een enorme explosie.
In wetenschappelijke termen…. Expansie met niet te bevatten krachten.
Na deze uitbarsting begon het universum zich te ordenen in structuren volgens wetten die in die eerste momenten in enkele seconden waren gecreëerd.
Een halve seconde na die gigantische knal was het universum zelfs al een miljard kilometer geëxpandeerd.
Dat zijn niet te bevatten getallen die mijn voorstellingsvermogen te boven gaan.
Na ongeveer tweehonderd miljoen jaar ontbranden de eerste sterren.
Er ontstonden planetaire stelsels, sterrenstelsels en groepen sterrenstelsels.
De planeten waren eerst kleine gloeiende lichamen die eerst rond de sterren cirkelden, koelden af tot ze stolden zoals ook met de aarde is gebeurd en met onze zon zal gebeuren.
En ja de zon zal sterven, na de aarde want die gaat het er eerst aan daarna de Melkweg en als laatste volgens deze generatie wetenschappers het universum.
Dit was in vogelvlucht het Alfa en Omega ….. al wat geboren wordt sterftVolgens wetenschappers zouden er twee mogelijkheden zijn hoe dit zou kunnen gaan gebeuren.
 


De Big FreezeHeel simpel uitgelegd als het langzaam doven van de lichten zeg maar tot er overal een gelijkmatige temperatuur heerst waardoor het universum in een gigantische ijskoud galactisch kerkhof verandert.
Dat gebeurd al heel snel want de schatting in onze tijdrekening is dat het al over honderd miljard jaar zal gebeuren .
De
De expansie neemt af en bereikt een moment waarop het stopt waarna het inkrimpt en ineen schrompelt
Door de zwaartekracht beginnen ruimte, tijd en materie naar elkaar toe te komen tot ze elkaar verpletteren in een oneindig kleine energie punt.
Dezelfde wetenschappers kiezen uit deze twee mogelijkheden van Omega, uiteindelijk toch voor de Big Freeze als meest waarschijnlijke en door de ontdekking vrij recent nog, ergens in 1998 dat de snelheid waarmee sterrenstelsels zich van elkaar verwijdert alleen maar toeneemt, wordt dit alleen maar bevestigd.
(Formule laten zien van de 2e wet van Thermodynamica)

Big Crunch als tweede mogelijkheid. De grote inkrimping.
"De driehoek betekent variatie"…..de S betekent entropie (uitleg)..de >
staat voor groter dan…en de nul is een nul.
Deze wet is door een meneer Rudolf Julius Emanuel Clausius geformuleerd.
Deze wetenschapper heeft al eerder de wet van behoud van energie geformuleerd.
Hij zegt dat de energie van het universum een eeuwige constante is die nooit kan worden gecreëerd of vernietigd alleen getransformeerd.
Van Clausius kwam ook het begrip "entropie’ dat alle soorten energie en temperatuur omvat, overtuigd dat zelfs dit laatste een eeuwige contante is.
Dus als het universum eeuwig was moest de energie dat ook zijn en de entropie eveneens.
Maar toen Clausius meetingen begon te doen ontdekte hij tot zijn schrik dat de hoeveelheid warmte die uit een machine komt altijd groter was dan de transformatie van warmte in werk.
Hij weigerde dit te aanvaarden en begon ook metingen te doen in de natuur en zelfs ook op mensen. Hij moest daarna, na veel onderzoek concluderen dat dit fenomeen bestaat en er was.
De entropie, dat ook overal in het universum aanwezig is, is dus geen constante maar neemt veel meer toe, ontdekte Clausius en zo ontstond de 2e wet van thermodynamica.
Clausius toonde op wetenschappelijke wijze met deze wet dat er drie dingen aan de hand zijn::
Dingen verouderen dus komt er ook een punt waarop ze sterven
Het universum evolueert met de tijd (dus er is ooit een begin geweest)
Er is een moment geweest waarop alles jong was de entropie minimaal.
Het universum evolueert naar een toestand van thermodynamisch evenwicht waarin niet langer koude en warme zones bestaan maar overal een contante temperatuur dus toch totale entropie.
(Duitse filosoof Immanuel Kant Immanuel Kant, "Kritiek van de Zuivere Rede", B1,10, 1787)In het voorwoord van de 2e editie van zijn de "kritiek van de zuivere rede " legde Kant de grenzen van de wetenschap vast.
Hij concludeerde dat er drie fundamentele problemen van de metafysica zijn die nooit door de wetenschap kunnen worden opgelost.
1. God….. 2.Vrijheid…. 3.onsterfelijkheid.
Kant zegt in de kritiek van de zuivere rede dat wetenschappers nooit in staat zouden zijn om het bestaan van God te bewijzen, vast te stellen en of we wel of niet een vrije wil hebben en met zekerheid te weten wat er na de dood gebeurt.
Vragen die volgens Kant niet meer behoren tot het domein van de fysica maar tot die van de metafysica. (broeder Willem)
Deze drie vragen staan volgens Kant buiten alle bewijs.
Kant zegt dus dat men het bestaan van God niet kan bewijzen evenmin het bewijs dat God niet bestaat.
We zijn altijd op zoek zijn naar ons zelf maar ook naar antwoorden op vragen over de schepper van het heelal.
Voor de Boedhisten Boedha voor de Mohammedanen Mohammed, voor de Christenen God en als het niet een van de drie is dan in ieder geval in een hogere macht , de schepper of een opperbouwmeester……iets….in ieder geval….
Sommigen weten het stellig anderen weer niet en als je twijfelt dan ben je agnosticus. Je kan niet bewijzen dat hij niet bestaat maar ook niet dat hij bestaat,.
Maar wat is volgens jou, de definitie van de schepper, de hogere Macht, God, de opperbouwmeester des heelal, de opperwezen?
De Brahman, de Dharmakaya de Tao?
Dit zijn knellende en misschien ook kwellende vragen die een zwaar beroep doen op iemands denkvermogen om de antwoorden hierop te begrijpen.
Niet alleen de wetenschap ziet zich met een gigantisch probleem opgezadeld maar ook de kerk bevindt zich in een spagaat want dit is ook een theologisch probleem sinds de wetenschap.
Heeft er nu wel of niet een schepping plaatsgevonden?
Op grond van wat er in de bijbel staat, heeft de kerk altijd al verkondigd dat er een begin en einde was, een Genesis en een Apocalips, een Alfa en een Omega.
Door ontdekkingen in de wetenschap, o.a. van Nicolaas Copernicus, Galilei en Newton, werd vanuit een bepaalde invalshoek dit vraagstuk belicht.
Dat was in de tijd dat wetenschap met name over het universum met beperkte middelen werd onderzocht.
Men begon te denken dat de hypothese van een universum dat eeuwig was het meest waarschijnlijke was.

Kort gezegd het universum is er altijd geweest altijd heeft bestaan en dus altijd zal blijven bestaan.
Het probleem van alfa en omega lijkt hiermee te zijn opgelost, er is geen begin en er is geen eind.
Maar stel dat dit niet zo is?
Want sinds Einstein ziet de wereld en het universum er plotseling heel anders uit en hiermee ook het universum waar we dankzij mensen als Cambridge 1671 (Spiegeltelescoop) en 1839 William Parsons………. daarna van vrij recente datum Edwin Hubble en Hale kunnen we verder en dieper het heelal in kijken.

En misschien, heel misschien zal de bijna gevonden higgsdeeltje, einsteins theorie aan het wankelen brengen en gaat er straks een nieuwe wereld open voor de wetenschap en voor ons.
Maar wat heeft de oerknal, de big bang die volgens wetenschappers 15 tot 20 miljard geleden heeft plaatsgevonden, de alpha en Omega de theologische God, en de oppperbouwmeester des heelals met de VM te maken?
In deze vraag schuilt een zekere verwarring en chaos die ik Sopresa noem de titel van dit bericht wat in het Spaans verwondering betekent. Sopresa in mijn manier van denken over onze wereld wat in mijn perceptie niet verder reikt dan de maan, zon, mars ons eigen zonnestelsel en nog iets verder.
Als het gaat om ons dagelijks leven zijn we beperkt in ons denken en handelen.
Kijk maar naar wat er in de wereld om ons heen gebeurd. De wereld draait alleen om Me, myself and I.
Elke dag sterven er wereldwijdt gemiddeld 3000 kinderen per dag aan ondervoeding en nog eens een gemiddeld evenredig aantal mensen per dag door ziekte, oorlog en geweld. Dit zijn ook gigantische getallen.
Zie hier wat wij onder beschaving verstaan op een kaalgevreten bijna zuurstofloze en uitstervend planeet.

Alle informatie met dank aan Wiki

Kant

Imannuel Kant

Een aantal keren heb ik tijdens lezingen met een bepaalt thema (filosofie bijv) de naam Kant horen vallen.
Ik ken de  filosoof niet en heb even in Wiki gebladerd met name over zijn levensloop.


(copie  uit wikipedia)

Kant was de vierde van negen kinderen van een arme zadelmaker.
Dankzij de welwillendheid van een dominee kon Kant op achtjarige leeftijd het Collegium Fridericianum, een Latijnse school, in zijn geboorteplaats bezoeken.
Op zijn zestiende ging hij daar naar de universiteit, waar hij eerst theologie en vervolgens filosofie en wis- en natuurkunde studeerde.
Na zijn afstuderen op 22-jarige leeftijd verdiende hij de kost als huisonderwijzer in zijn woonplaats.


Op de universiteit van Koningsbergen kon hij pas negen jaar later, in 1755, (onbetaald, want het was een erefunctie!) een aanstelling als privaatdocent krijgen.
Hij gaf in deze functie tot 1770 openbare colleges in onder meer logica, metafysica, ethiek, wiskunde en fysische geografie. Hij promoveerde in 1755 op een in het Latijn geschreven proefschrift, getiteld "''Principiorum primorum cognitionis metaphysicae''" (vaak aangehaald als: Nova Dilucidatio.

Duitse vertaling: ''Eine neue Beleuchtung der ersten Prinzipien aller metaphysischen Erkenntniβ''. Nederlands: Een nieuw licht op de eerste principes van alle metafysische kennis.)In 1770 werd Kant hoogleraar in metafysica (wetenschap) en logica aan de filosofische faculteit van de universiteit van Koningsbergen. Hij gaf colleges filosofie tot 1796.  Hij overleed in 1804.


Immanuel Kant behoort tot de moderne filosofen. Zijn invloed op de terreinen van filosofie, ethiek, theologie, strafrecht, volkenrecht en esthetiek werkt door tot op de dag van vandaag, en is nog steeds actueel.

In het werk van Kant zijn twee duidelijke periodes te onderscheiden: zijn voorkritische periode en zijn kritische periode. Als grens tussen deze twee periodes wordt in de filosofische literatuur als regel het jaar 1781 aangehouden.
In dit jaar verscheen zijn Kritik der reinen Vernunft]. Het verschil tussen deze periodes is het volgende. De vraag of er een rationalisme|rationalistische metafysica mogelijk is, beaamt Kant in zijn voorkritische periode in navolging van Gottfried Wilhelm Leibniz|Leibniz en Christian Wolff (rechtsgeleerde)|. In zijn kritische periode neemt hij hier afstand van.

De overgang tussen beide periodes is echter vloeiend. Al vanaf 1769/1770 klonk in de boeken en brieven van Kant twijfel door over de mogelijkheid van een rationalistische metafysica.De volledige werken van Kant zijn verschenen in de "Akademie Ausgabe" van de Preußischen Akademie der Wissenschaften, Berlin 1902 en de jaren daarna.Bij Meiner Verlag (Philosophischen Bibliothek) zijn veel werken van Kant afzonderlijk gepubliceerd, voorzien van een inleiding en commentaar/toelichting.


(citaat)
 "Objecten, en de grondbeginselen die aan de natuur van onze ziel worden ontleend, hebben een begrijpelijke geldigheid voor alle dingen voor zover die objecten van de zintuiglijkheid zijn. En net zo: als datgene wat in ons voorstelling heet, actief zou zijn ten opzichte van het object, d.w.z. als daardoor het object zou worden voortgebracht, zoals men zich de goddelijke kennisinhouden als de oerbeelden van de dingen voorstelt, dan zou eveneens de overeenstemming van de voorstelling met het object begrepen kunnen worden.

De mogelijkheid van zowel de intellectus archetypus (het verstand dat oerbeelden bevat), op de aanschouwing waarvan de dingen zelf gebaseerd zijn, als van de intellectus ectypus (het verstand dat kopieën bevat), dat de data voor logische bewerking uit de zintuiglijke aanschouwing van de dingen put, is dus op zijn minst begrijpelijk.
Maar ons verstand is door zijn voorstellingen noch de oorzaak van het object (behalve dan in de moraal van de goede doeleinden), noch is het object de oorzaak van de verstandsvoorstellingen (in sensu reali- in reële zin).
De zuivere verstandsbegrippen kunnen dus niet van zintuiglijke gewaarwordingen zijn geabstraheerd, noch ook de zintuiglijke ontvankelijkheid voor voorstellingen uitdrukken, maar moeten hun bronnen hebben in de natuur van de ziel; niet evenwel voor zover ze door het object worden veroorzaakt, of het object zelf voortbrengen."   (Immanuel Kant, brief aan Marcus Herz 22 feb 1772.)


De drie kritische werken van Kant
De Kritik der reinen Vernunft (''Kritiek van de zuivere rede'') is het eerste grote werk van de Duitse filosoof Immanuel Kant. Hij schreef het op 57-jarige leeftijd in (1781). Een tweede, op onderdelen ingrijpend gewijzigde versie, publiceerde hij in 1787.

Het is de eerste van zijn drie kritische werken, waarin hij de filosofie van de De Verlichting aan een zelfkritiek onderwerpt.
Hierbij richt hij zich zowel tegen het rationalisme van René Descartes, Baruch de Spinoza en Gottfried Wilhelm Leibniz als tegen het empirisme van John Locke en David Hume.
In deze eerste ''Kritik'' onderzoekt hij - zijns inziens met succes - of de filosofie een zelfstandige wetenschap is, naast de wiskunde en de natuurwetenschappen.


Centraal staat hierbij de vraag: 'Wat kan ik weten?'. Kant doelt hier op de vraag of de Rede (''Vernunft'') een zelfstandige bron is voor het verkrijgen van theoretische kennis.
Onder Rede verstaat hij het vermogen om de zintuiglijke werkelijkheid te overstijgen en daar niet meer afhankelijk van te zijn.
De Rede als het vermogen om te willen behandelt Kant in zijn tweede ''Kritiek'': de Kritik der praktischen Vernunft (''Kritiek van de praktische rede'') uit 1788.


Zijn Kritik der Urteilskraft (''Kritiek van het oordeelsvermogen'') uit 1790 behandelt de Rede als het reflecterende oordeelsvermogen.
Het kernpunt van zijn filosofie - mocht deze samen te vatten zijn in enkele regels -, waarvan hij ook al zijn latere conclusies en gevolgtrekkingen neemt, is dat de empirische waarnemingen, zoals die aan ons verschijnen, beoordeeld en geordend - naar ruimte en tijd - wordt door onze rede tot onze werkelijkheid.


De bron van de waarnemingen is het noumenale Ding-an-sich, dat op zichzelf onkenbaar is maar voor ons kenbaar wordt door de rationeel geordende fenomenen.Dit was de synthese tussen het empirisme en het rationalisme.
Op het gebied van ethiek vestigde hij zich op twee regels; dat we de mens altijd óók als doel op zich en nooit alleen als middel tot een doel mogen gebruiken, en ten tweede dat wij alles wat wij doen als algemene regel moeten kunnen èn willen laten gelden (bekend als het categorische imperatief).
Het is dus bijvoorbeeld niet goed te stelen, omdat de algemene regel dat stelen zou mogen zou resulteren in een chaotische wereld die wij zelf niet zouden willen.
De derde kritiek is een van de eerste werken in het relatief nieuwe domein van de filosofische esthetiek (Alexander Gottlieb Baumgarten was zijn tijdgenoot), die de term ''esthetiek'' reserveerde voor de reflectie over schoonheid.


Kant gebruikt de term in zijn eerste kritiek zelfs nog in de klassieke betekenis, als een leer van de ''waarneming''). Kant onderzoekt hierin de mogelijkheid van oordelen in het domein van de esthetiek en onderscheidt (subjectieve) smaakoordelen van aanspraken op schoonheid.
Citaat "Er kan geen twijfel over bestaan dat al onze kennis begint met ervaring.


Want hoe zou het kenvermogen tot activiteit kunnen worden gewekt, als dat niet gebeurde doordat objecten onze zintuigen beroeren en zo voor een deel vanzelf voorstellingen teweeg brengen, voor een deel de werkzaamheden van ons verstand aanzetten die voorstellingen te vergelijken, te verbinden of te scheiden, om zo het ruwe materiaal van zintuiglijke indrukken te verwerken tot de kennis van objecten die ervaring heet?"(Immanuel Kant, "Kritiek van de Zuivere Rede", B1,10, 1787'')

Ludwig Ernst Borowski, leerling en vriend van Kant, weet in zijn biografie van de filosoof aan te geven waar het idee voor de Kritiek van de zuivere rede ontstond: op een pleintje in Koningsbergen dat van oudsher 'der philosophische Gang' werd genoemd. In het jaar 1770 moet Kant daar de eerste invallen voor zijn kritische theorie hebben gekregen, tijdens een wandeling die in die jaren gewoonlijk volgde op het middagmaal bij zijn boezemvriend Jospeh Green.
''Deze Green, een Engelse koopman, was zo punctueel en hield er zo'n strakke dagindeling op na, dat hij Theodor Gottlieb von Hippel, een andere vriend van Kant, stof bood voor de komedie Der Mann nach der Uhr (1760).

Kant had eens met Green afgesproken 's ochtends om acht uur bij hem te zijn voor een gezamenlijk plezierritje. Green reed klokke acht weg en stopte niet toen hij meteen daarna Kant zag komen aanlopen.

Kant was zijn afspraak niet nagekomen, dus maakte hij zijn rijtoer alleen.
Voor zover bekend heeft Kant nooit een Liefdesrelatie|relatie gehad en overleed hij als maagd. Tijdens een diner voor vrienden te zijnen huize wist Kant echter een zodanige plaats te schikken dat hij met zijn goede oog een bevallige dame kon observeren.
Dat Kant's vader zadelmaker is geweest wordt in elk naslagwerk vermeld.

Het kan echter zijn dat diens beroep uit overweging van eerbied voor de geniale zoon te hoog is opgegeven en dat de man ''slechts'' riemensnijder is geweest.
  

"Ik vroeg me namelijk af op welke grond de betrekking tot het object berust van wat in ons voorstelling heet. Als de voorstelling" alleen de wijze bevat waarop het subject door het object wordt geprikkeld, dan is gemakkelijk te begrijpen hoe die voorstelling als een gevolg met haar oorzaak kan overeenstemmen, en hoe deze bepaling van onze geest iets kan voorstellen, d.w.z. een object kan hebben.

De passieve of zintuiglijke voorstellingen hebben dus een begrijpelijke betrekking tot deze periode van denken van Kant en kenmerkt zich door zijn zoektocht naar de grenzen van de menselijke kennis.
De eerste tekenen van zijn kritisch denken zijn volgens de vakfilosofen te vinden in zijn brief aan zijn vriend Marcus Herz (21 feb 1772).

Daarna volgde een periode van 10 jaar waarin hij weinig tot niets publiceerde en waarin hij zijn gedachten (zie onderstaand fragment) overdacht en probeerde te systematiseren. Het gaat erom hoe onze voorstellingen op de een of andere manier overeen kunnen komen met "de werkelijkheid".

 Het voor dit onderwerp relevante fragment van de brief luidde als volgt:In deze periode publiceerde Kant een groot aantal boeken en artikelen die alle in het teken stonden van de rationalisme/rationalistische denkwijze van de Verlichting. Metafysica kon een wetenschap zijn, mits zij dezelfde denkmethode hanteerde als de wiskunde. Ook ging hij er toen vanuit dat er een rationalistisch Godsbewijs mogelijk was, zoals hij betoogde in zijn ''Der einzig mögliche Beweisgrund zu einer Demonstration des Dasein Gottes.''

Freemasons


Biography of Manuel Piar and Simon Bolivar, Hero of Venezuelan Independence

By Christopher Minster

Manuel Piar, Venezuela's Pardo Hero:

General Manuel Carlos Piar (1777-1817) was an important leader of the independence from Spain movement in northern South America. A skilled naval commander as well as a charismatic leader of men, Piar won several important engagements against the Spanish between 1810 and 1817. After opposing Simon Bolivar, Piar was arrested in 1817 before being tried and executed under orders from Bolivar himself.

Early life of Manuel Piar:

Piar was born in Curacao: his father was a Spanish sailor and his mother a mulatto, or of mixed African-European descent. His mixed race would haunt him his whole career: by 1817 he believed that it had limited how far he would go as a soldier. At a young age, Piar moved to Venezuela with his mother. An extremely intelligent young man, he did not attend school but taught himself many materials and languages.

Piar and Venezuela's Pardos:

As a mixture of black and European, Piar was part of the class known as “pardos,” or “browns.” The pardos held a status one step up from blacks: they were free and many became skilled laborers, but held no positions of influence. In Venezuela, they were a powerful group, far outnumbering creole whites. During the battle for independence, Piar was able to recruit many pardos into his army. A Spanish officer once remarked that Piar was the rebel officer who frightened the Spanish the most: he could have ignited a race war had he wanted which might have turned Venezuela into the next Haiti.

Early Military Career

Starting off as a simple militiaman, Piar served in two revolutions before the age of 35. In Curacao, he helped kick out the British and restore Dutch rule, and in 1807 he went to Haiti to serve in the revolution there. In Haiti, his leadership skills were appreciated and he commanded a warship. He soon became well-known as a skilled military leader and commander. He naturally sympathized with independence movements, and in 1810 he joined the emerging Venezuelan Independence movement.

Piar During the First Venezuelan Republic

During the First Venezuelan Republic (1810-1812), he was made a second lieutenant and served on a ship in the port of Puerto Cabello. He was skilled enough to temporarily cut off Spanish shipping to the area in spite of limited resources. Like the rest of the leadership, he was forced briefly into exile in Trinidad in 1812 when the republic collapsed. But by 1813 he was back in Venezuela, fighting for independence alongside Santiago Meriño, Francisco Bermudez and others.

Manuel Piar and Simon Bolívar

Although they had much in common, Piar and Simón Bolívar never got along. In 1814, as the Second Venezuelan Republic collapsed, Bolívar sought refuge on Margarita Island, then controlled by Piar: Piar declared Bolívar an outlaw and ordered him arrested briefly. Although Piar later recognized Bolívar’s overall leadership, the Liberator never forgot the affront. In early 1817, Bolívar requested reinforcements from Piar as Spanish forces closed in on him, but Piar refused, preferring to see Bolívar taken out so that he could lead the struggle. Bolívar survived, but he knew he could not trust Piar after that.

Piar the Warlord:

Venezuela was a very chaotic place from 1813 to 1817. It was ruled by different warlords, some of whom, like Piar, fought for independence, and some of whom, like Tomas Boves, fought for Spain. Piar's power base was in Eastern Venezuela, and he occasionally allied himself with other leaders like Meriño or Bolivar, but he would just as often fight for his own interests. Bolívar was the most powerful of the warlords, but the others did not answer to him in anything resembling a chain of command. By 1817 Piar was ignoring most of the other warlords and fighting to free “his” area: the Venezuelan northeast and Guyana.

The Battle of San Felix:

On April 11, 1817, Piar recorded his greatest military victory at the Battle of San Felix. Piar’s rag-tag force of 500 riflemen, 800 spearmen, 500 archers and 400 horsemen met Spanish General La Torre and his force of 1600 well-trained and armed infantry, 200 cavalry and a handful of cannons. Piar’s force was largely comprised of untrained pardos and Indians, yet his tactical skills resulted in a massive victory over the Spanish. Some 400 royalists were killed and another 300 taken prisoner, to less than 100 killed or wounded on the patriot side. Piar ordered the slaughter of the royalist prisoners after the battle.

Insubordination

After San Felix, Bolívar visited Piar near Angostura and brought him back in line, but Piar always felt that it was he, not Bolívar, who should be leading the fight. When ordered to move on Guyana, Piar disobeyed and resigned his commission, claiming that he going to recruit soldiers in the interior of the country. In actuality, he had decided to take on Bolívar as well as the Spanish: he knew the pardos and blacks would flock to his cause. Correctly guessing Piar's intentions, Bolívar ordered his arrest. On July 27 1817, Piar was arrested and dragged back to Angostura tied on the back of a horse like a criminal.

Execution and Legacy of Manuel Piar

Piar was accused of desertion, sedition, insubordination and conspiracy. On October 16, 1817, Piar was taken against a wall and shot: he reportedly met his end bravely and gracefully. Bolívar was in town but did not attend.
The execution of Piar was a mixed benefit for Bolívar. On the plus side, it removed one of the greatest threats to his authority and one that he had personally clashed with on several occasions. Furthermore, it put the other warlords on notice that Bolívar was in charge and that they had better fall in line or meet a similar fate.
The execution of Piar was a costly one for the independence movement, however. Piar was an outstanding general and tactician, and his ability to recruit and keep pardo troops was unmatched. The only ones happier than Bolívar to see Piar go were undoubtedly the Spanish. The execution of this talented ally is a stain on the record of Bolívar, the Great Liberator, perhaps second only in abhorrence to his turning over of  Fransisco de Miranda to Spanish authorities in 1812.
Bolívar may have averted a bloodbath, however. Piar had become convinced that those of African descent would never hold power in Venezuela unless they took it for themselves: he himself was the perfect example. When he was arrested, Piar may have been trying to begin a race war, in which pardos and blacks would fight against all whites, whether they were Spanish or Creoles. Given the number of pardos and blacks in Venezuela, any uprising based on racial lines would likely have resulted in a Haiti-style massacre. Piar was no stranger to to-the-death warfare: the massacre of the prisoners after San Felix was hardly an exception, and he once ordered the slaughter of two dozen peaceful priests and monks at an isolated mission.
In spite of his ruthlessness and insubordination to the Great Liberator, history has been kind to Piar. He is considered one of the heroes of Venezuelan independence, and his race, once such a hurdle to his advancement, is now celebrated. Many Venezuelans of color regard him as "their" liberator. He has been symbolically interred in the Venezuelan Pantheon of heroes and an airport and a major, multi-million dollar dam have been named after him.
(Sources: Harvey, Robert. Liberators: Latin Amedrica's Struggle for Indeppendence Woodstock: The Overlook Press, 200).






Pedro Luis Brion

Philippus Lodovicus (Pedro Luis) Brión (Curacao 6 juli 1782-Curacao 27 september 1821  was een  Curacaos militair en patriot, die in de Venezolaanse onafhankelijkheidsoorlog aan de zijde van de opstandelingen vocht. Aan het einde van zijn carrière was hij was admiraal in de marine van Venezuela en Groot-Colombia

Afkomst
Zijn ouders waren de handelaar Pedro Luis Brión en zijn vrouw María Detrox, die beiden uit de zuidelijke (Oostenrijkse) Nederlanden afkomstig waren. Het gezin verhuisde naar Curacao  in 1777.
In 1794 zouden ze hun zoon naar Nederland om zijn studie af te maken.

Slag bij Bergen

Na de verovering van Nederland door de Fransen nam Brión dienst in het leger van de Bataafse republiek om de Britse invasie van Noord-Holland te helpen afslaan. Hij nam deel aan de veldslagen bij Slag bij Bergen  en Castricum.. Na door de Britten gevangengenomen te zijn werd hij in het kader van een gevangen ruil weer vrijgelaten na het bestand van Alkmaar.

 Curaçao

Na zijn terugkeer naar Curaçao was Brión betrokken bij de revolutionaire beweging op het eiland. Toen het eiland werd bezet door de Britten vluchtte hij naar de Verenigde Staten om economie en scheepvaartkunde te studeren. In 1803 keerde hij terug naar zijn geboorte-eiland toen dat door de Britten weer werd overgedragen aan de Nederlanders. Tussen 1803 en 1807 was Brión werkzaam als zakenman. Bij een aantal gelegenheden wist hij te voorkomen dat de Britten het eiland weer veroverden. Toen dat in 1807 toch gebeurde vluchtte Brión naar het Deense eiland Saint Thomas  waar hij zijn werkzaamheden als reder voortzette.

Venezolaanse onafhankelijkheidsoorlog

In 1813 werd hij betrokken bij de Venezolaanse onafhankelijkheidsoorlog en een jaar later werd hij door Simon Bolivar  benoemd tot de commandant van een fregat. In 1815 kocht hij in Engeland, het schip Dardo dat met 24 kanonnen was uitgerust. Met behulp van dit schip ondersteunde hij de opstandelingen bij Cartagena de Indias.
Na zijn promotie door Bolivar organiseerde hij verschillende expedities langs de kust van Venezuela. Op 2 mei 1816 versloeg Brión de Spanjaarden in de zeeslag bij Los Frailes. Op de dag van zijn overwinning werd bij benoemd tot admiraal door Bolivar. Door hun overwinning hadden de opstandelingen Isla Margaritha onder controle gekregen en daarmee de Venezolaanse kust tot aan Guayana. In 1817 richtte Brión de Venezolaanse Admiraliteit en het korps mariniers op.
Op 3 augustus 1817 zeilde hij met een eskader de rivier de Orinoco op. In de slag van Cabrián versloeg dit eskader een Spaanse vloot van 28 schepen. 14 Spaanse schepen werden buitgemaakt en 1500 zeelieden gevangengenomen. Op 5 november 1817 was Guyana bevrijd en werd Brión tot president van de regeringsraad benoemd. In oktober 1817 was hij voorzitter van de krijgsraad die  Manuel Carlos Piar ter dood veroordeelde.
In 1819 leidde Brión een expeditie van 22 schepen naar de kust van het vice-koninkrijk van Granada het tegenwoordige Columbia Samen met een leger onder leiding van generaal Mariano Motilla werden een aantal havensteden aan de mondingen van de Magdalena en de plaatsen Barrangquila en Santa Martabevrijd. Na een meningsverschil met Motilla over hoe de veldtocht verder zou moeten worden geleid, trok Brión zijn vloot terug naar Maracaibo in mei 1821.

Panteón Nacional

Dood

Brión leed aan tuberculose  en besloot vanwege het terminale stadium van zijn ziekte in september 1821 terug te keren naar zijn geboorte-eiland. De dag na zijn aankomst overleed hij. In eerste instantie werd hij begraven op het landgoed van zijn familie. De Plantage Rozentak. Op 10 april 1882 werden zijn overblijfselen overgebracht naar het Panteón Nacional in de hoofdstad van Venezuela, Caracas.
Hierliggen naast Brión een aantal andere belangrijke personen uit de geschiedenis van Venezuela begraven, zoals Simon Bolivar.



Simon Bolivar


Simón José Antonio de la Santísima Trinidad Bolívar y Palacios Ponte y Blanco (Spanish pronunciation: [siˈmon
boˈliβar]; July 24, 1783December 17, 1830), commonly known as Simón Bolívar, was a Venezuelan military and political leader. Together with José de San Martín, he played a key role in Hispanic-Spanish America's successful
struggle for independence from the Spanish Empire, and is today considered one of the most influential politicians in Latin American history.
Following the triumph over the  Spanish Monarchy, Bolívar participated in the foundation of the first union of independent nations in Hispanic-America, a republic, which was named  Gran Colombia, and of which he was president from 1819 to 1830. Bolívar remains regarded in Hispanic-America as a hero, visionary, revolutionary, and liberator.
During his lifetime, he led Colombia, Venezuela, Ecuador, and Bolivia to independence, and helped lay the foundations for democratic ideology in much of Latin America.
Bolívar family Birthplace of Simón Bolívar in Caracas, Venezuela.
The surname Bolívar derives from the Bolívar  aristocrats who came from a
small village in the Basque Country, Spain, called La Puebla de Bolívar.

His father came from the male line of the de Ardanza family.
Hismaternal grandmother, however, was descended from some families from the
Canary Islands that settled in the country.

The Bolívars settled in Venezuela in the sixteenth century. His first South
American Bolívar ancestor was Simón de Bolívar (or Simon de Bolibar; the
spelling  was not standardized until the nineteenth century), who lived and
worked with the governor of the Santo Domingo from 1550 to 1570.
When the governor of Santo Domingo was reassigned to Venezuela in 1589, Simón
de Bolívar came with him. As an early settler in Caracas Province, he became prominent in the local society and he and his descendants were granted estates, encomiendas, and positions in the Caracas cabildo.
The social position of the family is illustrated by the fact that when the Caracas Cathedral was built in 1594, the Bolívar family had one of the first dedicated side chapels.
The majority of the wealth of Simón de Bolívar's descendants came from the estates.
The most important of these estates was a sugar plantation with an encomiendathat provided the labor needed to run the estate.

In later centuries, slave and free black labor would have replaced
most of the encomienda labor. Another portion of Bolívar wealth came from the silver, gold, and more importantly, copper  mines in Venezuela. In 1632, small gold deposits first were mined in Venezuela, leading to further discoveries of much more extensive copper deposits. From his mother's side, the Palacios family, Bolívar inherited the copper mines at Cocorote. Slaves provided the majority of the labor in these mines.
Toward the end of the seventeenth century, copper exploitation became so prominent in Venezuela that it became known as  Cobre Caracas  ("Caracas copper"). Many of the mines became the property of the Bolívar family.
Bolívar's grandfather, Juan de Bolívar y Martínez de Villegas, paid 22,000 ducats to the monastery at Santa Maria de Montserrat in 1728 for a title of nobility that had been granted by the king, Philip V of Spain, for its maintenance.


The crown never issued the patent of nobility, and so the purchase became the subject of lawsuits that were still Simón Bolívar
going on during Bolívar's lifetime, when independence from Spain made the point moot. (If successful, Bolívar's older brother, Juan Vicente, would have become the Marqués de San Luis and Vizconde de Cocorote.) Bolívar was
able to use his family's immense wealth to finance his revolutionary efforts.


Early life
An 18th century portrait of Juan Vicente
Bolívar y Ponte, father of Simón Bolívar.
Although some people believe he was actually born in the Bolívar residence
located in San Mateo in Aragua State, which belonged to the Caracas
province by 1783, it is officially claimed that Simón Bolívar was born in
Caracas, Captaincy General of Venezuela (now the Bolivarian Republic of
Venezuela), on July 24, 1783 and he was baptized as Simón José Antonio de
la Santísima Trinidad Bolívar y Palacios. His mother was Doña María de la
Concepción Palacios y Blanco and his father was Coronel Don Juan Vicente
Bolívar y Ponte. He had two older sisters and a brother: María Antonia,
Juana, and Juan Vicente. Another sister, María del Carmen, died at birth.
[6]
The circumstances of Bolívar's parents forced them to entrust the baby Simón
Bolívar to the care of Doña Ines Manceba de Miyares and the family's slave
la negra Hipolita. A couple of years later Bolívar returned to the love and
care of his parents, but this traumatic experience would have a severe effect
on Bolívar's life. By his third birthday, his father Juan Vicente had died.

Bolívar by José Gil de Castro in 1825.
Bolívar's father died when Bolívar was two and a half years old.
Bolívar's mother, Maria Concepción de Palacios y Blanco, died when he was
approaching nine years of age.
He then was placed in the custody of a severe
instructor, Miguel José Sanz, but this relationship did not work out and he
was sent back to his home.
In an effort to give Bolívar the best education possible, he received private lessons from the renowned professors  Andrés Bello, Guillermo Pelgrón, Jose Antonion Negrete, Fernando Vides, Father Andújar, and the most influential of all, Don Simón Rodríguez, formerly
known as Simón Carreño. Don Simón Rodriguez was later to become
Bolívar's friend and mentor, and he instilled in the young man the ideas of
liberty, enlightenment, and freedom.

In the meantime, all the love, affection, and attention given to Bolívar was
from his nanny, Hipólita. Hipólita gave the young Bolívar all the affection he
needed and indulged him in all his wishes and desires.
His instructor Don Simón understood the young Bolívar's personality and inclinations, and tried from the very beginning to be an empathetic friend.
They took long walks through the countryside and climbed mountains.
Don Simón taught Bolívar how to swim and ride horses, and, in the process, taught him about liberty, human rights, politics, history, and
sociology.


Military career

When Bolívar was fourteen, his private instructor and mentor Simón Rodríguez had to abandon the country, as he
was accused of being involved in a conspiracy against the Spanish government in Caracas. Thus, Bolívar entered the
military academy of the Milicias de Veraguas, which his father had directed as colonel years earlier. Through these
years of military training, he developed his fervent passion for armaments and military strategy, which he later
would employ on the battlefields of the wars of independence.
A few years later, while in Paris, Bolívar witnessed
the coronation of Napoleon in Notre Dame, and this majestic event left a profound impression upon him. From that moment he wished that he could emulate similar triumphant glory for the people of his native land.

El Libertador Bolívar at the age of 21

Bolívar returned to Venezuela in 1807.
In 1813 he was given a military command in Tunja, New Granada (modern
day Colombia), under the direction of the Congress of United Provinces of
New Granada, which had formed out of the juntas established in 1810.
This was the beginning of the famous  Admirable Campaign.

He entered Mérida on May 23, where he was proclaimed as El Libertador.
That event was followed by the occupation of Trujillo on June 9.
Six days later, on June 15, he dictated his famous Decree of War to the Death.
Caracas was retaken on August 6, 1813 and Bolívar was ratified as "El Libertador", thus
proclaiming the restoration of the Venezuelan republic.

Due to the rebellion of José Tomás Boves in 1814 and the fall of the republic, he returned to New Granada, where he then commanded a force for the United Provinces and
entered Bogotá in 1814, recapturing the city from the dissenting republican
forces of Cundinamarca. He intended to march into Cartagena and enlist the
aid of local forces in order to capture Royalist Santa Marta.
In 1815, after a number of political and military disputes
with the government of Cartagena, however, Bolívar fled to Jamaica, where he was denied support and an attempt was made on his life, after which he fled to Haiti, where he was granted sanctuary and protection. 
He befriended Alexandre Pétion, the leader of the newly independent country, and petitioned him for aid.

Bolívar and Francisco de Paula Santander during the Congress of Cúcuta, October 1821.
In 1817, with Haitian soldiers and vital material support (on the condition that
he abolish slavery), Bolívar landed in Venezuela and captured Angostura
(now  Ciudad Bolívar). At that time, Venezuela remained a captaincy of
Spain, however, and Bolívar decided that he would first fight for the
independence of New Granada (which was a vice royalty), intending later to
consolidate the independence of Venezuela and other less politically
important Spanish territories.

The campaign for the independence of New Granada was consolidated with
the victory at the Battle of Boyacá  in 1819.
From this newly consolidated base of power, Bolívar launched outright independence campaigns in Venezuela and  Ecuador, and these campaigns were concluded with the
victories at the  Battle of Carabobo  in 1821 and the  Battle of Pichincha  in
1822. On September 7, 1821 the Gran Colombia (a state covering much of
modern  Colombia,  Panama,  Venezuela,  Ecuador, northern  Peru, and
northwest of Brazil) was created, with Bolívar as president and Francisco de
Paula Santander as vice president.

On July 26 and 27 of 1822, Bolívar held the Guayaquil conference with the Argentinian General José de San Martín, who had received the title of Protector of Peruvian Freedom in August 1821 after having partially liberated Peru from the Spanish.
Thereafter, Bolívar took over the task of fully liberating Peru.

The Peruvian congress named him dictator of Peru on February 10, 1824, which allowed Bolívar to reorganize completely the political and military administration. Assisted by Antonio José de Sucre, Bolívar decisively defeated the Spanish cavalry at the Battle of Junín on August 6, 1824.
Sucre destroyed the still numerically superior remnants of the Spanish forces at Ayacucho
on December 9, 1824.
On August 6, 1825, at the Congress of Upper Peru, the "Republic of Bolivia" was created. Bolívar is thus one of the few men to have a country named after him.


Battle of Carabobo, June 24, 1821
 Bolívar had great difficulties maintaining control of the vast Gran
Colombia.
In 1826, internal divisions had sparked dissent throughout the nation, and regional uprisings erupted in Venezuela. The new South American union had revealed its
fragility and appeared to be on the verge of collapse.
To preserve the union, an amnesty was declared and an arrangement was
reached with the Venezuelan rebels, but this increased the political
dissent in neighboring New Granada. In an attempt to keep the
nation together as a single entity, Bolívar called for a
constitutional convention at Ocaña during April 1828.

Battle of Junín
August 1824 Bolívar's dream had been to engender an American
Revolution-style federation among all the newly independent republics, with a government set up solely to recognize and uphold the rights of the individual. This dream had succumbed to the pressures of particular interests throughout the region, which rejected that model and had little or no allegiance to liberal principles.

For this reason, and to prevent a break-up, Bolívar sought to implement a more centralist model of government in Gran Colombia, including some or all of the elements of the Bolivian constitution he had written, which included a lifetime presidency with the ability to select a successor (although theoretically, this presidency was held in check by an intricate system of balances). This move was considered controversial in New Granada and was one of the reasons the deliberations in favor of such a constitution met with strong opposition at the Convention of Ocaña, which met from April 9 to June 10, 1828. The convention almost ended up drafting a document which would have implemented a radically federalist form of government, which would have greatly reduced the powers of a central administration. Unhappy with what would be the ensuing result, pro-Bolívar delegates withdrew from the convention, leaving it moribund.
After the failure of this congress to write a new constitution, Bolívar proclaimed himself dictator on August 27, 1828 through the Decree of Dictatorship. He considered this as a temporary measure, as a means to reestablish his  authority and save the republic, although it increased dissatisfaction and anger among his political opponents. An assassination attempt on September 25, 1828 failed, thanks to the help of his lover, Manuela Sáenz. Bolívar  
 afterward described Manuela as  Libertadora del Libertador  (the liberator of the liberator). Although Bolívar  emerged safely from the attempt, this nevertheless greatly affected him. Dissent continued, and uprisings occurred inSimón Bolívar 6 New Granada, Venezuela, and Ecuador during the next two years.


Death
Bolívar's death by Venezuelan painter Antonio Herrera
Toro Saying, "all who served the Revolution have plowed the sea", Bolívar finally resigned his presidency on April 27, 1830, intending to leave the country for exile in Europe, possibly in France. He already had sent several crates (containing his belongings and writings, which he had selected) ahead of him to Europe, but he died before setting sail.
On December 17, 1830, at the age of forty-seven, Simón Bolívar died after a painful battle with tuberculosis in the Quinta de San Pedro Alejandrino in Santa Marta, Gran Colombia  (now Colombia). On his deathbed, Bolívar asked his aide-de-camp, General Daniel F. O'Leary  to burn the remaining, extensive archive of his writings, letters, and speeches. O'Leary disobeyed the order and his writings survived, providing historians with a vast wealth of information about Bolívar's liberal philosophy and thought, as well as details of his personal life, such as his longstanding love affair with Manuela Sáenz.

Shortly before her own death in 1856, Sáenz augmented this collection by giving O'Leary her own letters from Bolívar. Simón Bolívar Memorial Monument, standing in Santa
Marta (Colombia) at the Quinta de San Pedro Alejandrino
His remains were buried in the cathedral of Santa Marta. Twelve years later, in 1842, at the request of President José Antonio Páez, they were moved from Santa Marta to Caracas, where a monument was set up for his interment in the National Pantheon of Venezuela. The 'Quinta' near Santa Marta has been preserved as a museum with numerous references to his life.

In 2010, symbolic remains of Bolívar's lover, Manuela Sáenz, were interred
by his side during a national ceremony reuniting them and
honoring her role in the liberations.
On January 2008, President of Venezuela Hugo Chávez set up a Commission to investigate theories indicating that Bolívar could have been the victim of an assassination.

On several occasions, Chavez has claimed that Bolívar was in fact poisoned
by "New Granade traitors".

In April 2010, infectious diseases specialist Paul Auwaerter studied existing records
of Bolívar's symptoms and concluded that he may have suffered from chronic arsenic poisoning, but considered that
both acute poisoning and murder were unlikely.
In July 2010, Bolívar's body was ordered to be exhumed to
advance the investigations.
In July 2011, international forensics experts released their report claiming there was
no proof of poisoning or other unnatural cause of death.

donderdag 15 december 2011

Higgs

Simon Rozendaal, een wetenschappelijk redacteur van Elsevier twitterde  in zijn webblog of de hele euforie rond het Higgsdeeltje de 4 miljard euro, die ondertussen in dit onderzoeks project was gestoken, het wel waard was. Ik vind van wel.  Zonder een wetenschappelijke achtergrond dagdroomde en fantaseerde ik altijd al over het onmogelijke. Verschillende dimensies in het universum, verplaatsingen sneller dan Einsteins lichtsnelheid en  tijdreizen. En op die vraag van Rozendaal zeg ik, ja en voor mijn part gooien ze nog een keer 4 miljard tegen aan, beter zo dan het twintigvoudigde van die 4 miljard uitgeven in wrede onmenselijke oorlogen en die per definitie niets nada opleverd.

dinsdag 13 december 2011

Bala

Ik was gebeld door zijn dochter. "Mijn vader ligt in het ziekenhuis" Alweer? reageerde ik, wat is er dan gebeurd? Het is zijn hart zei ze, maar is nu gelukkig stabiel. Goed zei ik,  ik kom hem vanavond opzoeken.
Bala,  (hij heet voluit Balaiswharan) was de burgeroorlog ontvlucht uit zijn land Sri Lanka.
Toen ik Bala voor het eerst leerde kennen en hoorde dat hij uit Sri Lanka kwam en een Tamil, dacht ik onmiddellijk aan de naam Tamil Tijgers. Ik wist weinig over de politieke situatie op Sri Lanka, alleen dat de Tamil Tijgers een bevrijdingsleger was die voor een zelfstandig Tamil Elam vochten.

 De Singalese bevolkingsgroep, die voor het merendeel boeddhistisch is, maakt 74 % van de bevolking uit en domineert het land. De Tamils, die grotendeels Hindoe en Christen zijn, maken maar 18 % van de totale bevolking uit, maar vormen wel de overgrote meerderheid in de noordelijke en oostelijke streken van het land.
De Tamils en de Singalezen hebben beide een eigen cultuur, taal, geloof en afkomst. Voordat de Portugezen het eiland Ceylon veroverden bestond het namelijk uit vier koninkrijken waarvan drie in handen waren van Tamils en één van Singalezen.
Nadat Ceylon onafhankelijk werd kwam er een regering voor heel Ceylon, waarin de Singalezen het voor het zeggen en Tamils werden onderdrukt. Hierdoor konden de Singalezen de naam Ceylon veranderen in Sri Lanka wat letterlijk in het Singalees "Het gezegende eiland" betekent.
Door dit soort veranderingen kregen de Tamils steeds minder te zeggen, en voelden zich daardoor ook minder Sri Lankaans. Dit motiveerde de Tamils voor een eigen land zoals vóór het koloniale tijdperk. We (vrouw van Bala en Sujah de dochter) zaten rond het bed waar Bala lag. Hij zag er, behalve dat er een infuus aan zijn pols zit, niet zo erg ziek uit, maar dat was natuurlijk uiterlijke schijn. Sujah de dochter van Bala memoreerde dit treffend toen ze haar verhaal vertelde over de strijd van de Tamils.
Ze zei: het is dezelfde strijd als van de Molukkers. Ik keek haar verrast en verbaast aan. Ze moest 8 jaar geweest zijn toen ze met haar ouders zusje en twee broertjes via India naar het buitenland vluchten toen de strijd in alle hevigheid losbarstte. Door die ene zin van Sujah sloeg ik enkele pagina's over aan informatie over Sri Lanka en de strijd van de Tamil Tijgers, want het vrijheidsideaal van de RMS was mij ook met de paplepel ingegoten. Toen de Tamils langs politieke weg de idealen van de Tamil bevolking niet voor elkaar konden krijgen, ontbrande een jarenlange en zeer gewelddadige strijd  tussen de  Tamil Tijgers en de regeringssoldaten waarin tienduizenden slachtoffers (hoofdzakelijk burgers) vielen. 
Bala zag er, net als de meeste mensen met wie ik zeer goed bevriend raakte en (achteraf) een zeer indrukwekkende levensgeschiedenis hadden, erg breekbaar uit. Klein circa 1.65 m en enkele kilo's boven zijn gewicht. Hij sleepte een beetje met zijn rechterbeen alsof zijn rechterbeen iets korter was.
Op 9 jarige leeftijd was hij aangereden door een auto waardoor hij enkele ribben brak en zijn hand. In zijn pubertijd kreeg hij een motorongeluk hierdoor brak hij weer enkele ribben en alle tanden uit zijn mond. Bala vertelde lachend dat hij het asfalt letterlijk uit zijn mond moest spugen.
Toen de burgeroorlog daarna uitbrak raakte Bala toen hij naar een vriend liep, op straat beland in een vuurgevecht tussen regeringssoldaten en de Tamil Tijgers.
Bala werd door een kogel van achteren geraakt. De kogel doorboorde zijn rechterzij boven de heup en waar het projectiel het lichaam verliet ontstond een gapend wond. Bala werd zwaar gewond naar het ziekenhuis gebracht waar hij (lachte toen hij het vertelde) zonder verdoving werd dichtgenaaid, gewoon omdat er niet voldoende morfine was om aan iedereen toe te dienen. Er werden op die dag dat Bala zwaar gewond raakte, 200 gewonden het ziekenhuis in gedragen.
Bala ontvluchte Sri Lanka omdat hij het voor zijn gezin te gevaarlijk vond.
 Hij was ook de voortdurende bombardementen van het leger ook moe. Iets verderop achter zijn huis heeft hij een bunker gegraven onder een boom en vertelde lachend dat de piloten nooit een boom zouden aanvallen laten staan er een bom op gooien. Daar verblijft het gezin als de situatie dreigend begon te worden. Bala is volgens mij er eentje van 12 ambachten en dertien ongelukken.
Hij was zijn vrouw, die hoogzwanger was,  ooit letterlijk verloren onderweg toen hij met zijn motor een weg bereed die vol met hobbels en  kuilen was. Deze anekdote was zelf opgetekend door zijn vrouw die de humor er ook wel van in zag. Ze zei toen ik van de motor viel heb ik met mijn armen m'n buik zoveel mogelijk proberen te beschermen. Bala heeft niet eens gemerkt dat ze eraf gevallen was.
Vrij recent, vorig jaar  (2010) was hij ook in ziekenhuis beland met een ontwrichte schouder en gekneusde ribben omdat hij met zijn scooter werd aangereden door een auto.
Maar het allerergste wat het gezin  Balaiswharan was overkomen, was het overlijden van de jongste zoon en broertje Seon in datzelfde jaar. Na jarenlange ziektebed heeft zijn lichaam het opgegeven.
Zwaar aangeslagen door dit verlies maakte het gezin een zeer traumatische periode door. Geen enkele moeder wil het ooit meemaken dat ze hun kinderen overleven zei ze toen we Bala opzochten in het ziekenhuis. Het is wat anders dan het verliezen van je man  onderwijl glimlachend kijkend naar Bala die op zijn beurt weer quasi beteuterd kijkt.
Hoewel het als grap bedoelt was zag ik in haar blik nog steeds de intense verdriet die ze nog steeds maar moeilijk kan verwerken. Haar oudse zoon die nu in Zweden woont, een eigen bedrijf  heeft, zei onlangs nog dat ze maar naar Zweden moesten verhuizen.
Maar ze wil niet uit het huis waar haar zoon Sayon overleden was. Ik was uitgenodigd om de ceremonie samen met mijn zus Toos en zwager Joop bij te wonen. Enkele weken later was ik ook bij de asverstrooiing op de wadden zee geweest. Crematie en de ritualen op zee vanaf een zeilschip, hebben een zeer diepe indruk bij me achtergelaten. Met dit beeld nog vers in mijn geheugen verliet ik het Wilhelmina ziekenhuis en draaide ik me nog een keer om bij de uitgang. Bala stond daar met zijn vrouw en dochter Sujah.
Ik zei lachend, ik wacht buiten wel dan kunnen jullie elkaar nog even vastpakken en zoenen. Bala lachte, zijn ene arm om zijn vrouw geslagen de andere hield de mobiele infuus vast.
De vooruitzichten waren als dreigende onweerswolken boven het door pech achtervolgde gezin Balaiswharan. Voor Bala, die ondanks de opeenvolging van bijzondere gebeurtenissen vanaf zijn kindertijd, onaangeslagen leek, hoop ik dat dit keer de God Brahman waar hij in gelooft hem dit keer gunsig gezind is.

maandag 5 december 2011

Jakarta

Enige tijde gelden verscheen in het Elzevier nr.37 van 17 september 2011 een artikel over een corruptieschandaal in Indonesië. De 32 jarige penningmeester Nazaruddin van de regeringspartij Partij Demokrat (de partij van de huidige Indonesische president Susilo Bambang Yudhoyono)bleek betrokken bij een grootscheepse oplichtingszaak met overheidsgelden. Het ging hierbij om tientallen miljoenen dollars die hij samen met zijn handlanger in koffers over de grens probeerde te smokkelen.

Het artikeltje vermeld slechts het topje van de ijsberg over diefstal uit overheidsgelden in Jakarta de hoofdstad van Indonesië waar hooggeplaatste ambtenaren en ministers fraude en corruptie tot kunst hebben verheven. Ik heb het genoegen mogen smaken om de wijze waarop men dit deed van dichtbij te kunnen meemaken. In 2000 was ik aangesteld als projectleider van een fundraising programma voor een mensenrechten organisatie in Indonesië.
In die hoedanigheid maakte ik tussen 2000 en 2006 meerdere reizen naar de hoofdstad van Indonesië en werd ik geïntroduceerd in het netwerk van de upper ten de elite van Jakarta,
tot letterlijk een villa-deur verwijdert  van de dochter van wijlen president Soekarno, Megawatti Soekarnoputri.

Megawatti zou korte tijd later tot president worden gekozen.
Ik maakte kennis met het bizarre wereldje van die 5 % die de dienst uitmaken in Indonesië en begreep al snel dat het niet alleen de normaalste zaak van de wereld is maar ook heel simpel om aan miljoenen dollars overheidsgelden te komen als je een goed wijdvertakte netwerk van mensen door alle lagen van de overheid en regering om je heen hebt.
Mensen die feitelijk financieel en dus ook politiek, Indonesië in hun greep houden. Een voorbeeld is het te investeren bedrag voor het uitbetalen van demonstranten die bepaalt hoe groot de omvang van een demonstratie is, waarvan de mensen soms niet weten waarvoor en voor wie ze demonstreren.
Geld opend deuren.

Als men het nodig vind om onrust te zaaien en een oorlog te beginnen, dan kan dat, maar het kost wel wat geld om de juiste netwerken en personen in te schakelen. Afhankelijk van de hoogte van de bedragen (enkele tienduizenden tot een paar ton Amerikaanse dollars,
 kan men op deze manier in bepaalde gebieden (waar armoede heerst) brandhaarden kweken.
Een voorbeeld is de zogenaamde religieuze oorlog tussen moslims en christenen in 2000 op de Molukken dat uiteindelijk meer dan tienduizend mensenlevens heeft gekost.
Het netwerk waarin ik via een contactpersoon geïntroduceerd werd was verbazingwekkend klein.

Het was volgens mij ook een een beetje mazzel en geluk, want normaliter zou je via verschillende en meerdere schakels pas in de  kunnen doordringen van de elite.
De persoon wiens naam ik niet ga noemen (bekleed nog steeds een positie binnen regeringskringen) is multimiljonair en bezit naar eigen zeggen,  negen landhuizen en villa's verspreid over de wereld, waaronder een in Los Angeles en 1 in Duitsland.
Het vermogen is o.a. geërfd van de vader die tijdens de regeerperiode van President Soeharto, brigadegeneraal was en na zijn pensionering presidentdirecteur van een Indonesische multinational.
Generaals krijgen nu eenmaal na hun trouwe diensttijd van de regering hoge posities in de maatschappij en mogen daarnaast hectares land uitzoeken.

Dit doen ze bijvoorbeeld door op een stafkaart de locaties aan te kruizen die nog niet uitgegeven waren en vrij zijn en waar de belangstelling naar uit gaat, waarna ze die vervolgens cadeau krijgen.
Zo'n 'locatie is bijvoorbeeld West Papua.
Enkele generaals zijn dan ook in die provincie de trotse bezitters van grote hectares land  en indien gewenst met een berg. 
Dit contact (X) zou de sleutelrol moeten vervullen in een fundraising programma die ik Omega heb genoemd. Aan dit programma heb ik als projectleider onder andere (naast andere fundraisingsprogramma's in Irak) tussen 2004 tot en 2006 gewerkt. X was in die tijd voorzitter van de commissie die overheidssubsidies verstrekt aan particuliere projecten die door de verschillende ministeries werden ondersteund.

Op mijn vraag in welke orde van grootte ik moet denken als het gaat om indienen van de projectvoorstellen en of het  haalbaar is,  kwam als antwoord dat projectaanvragen tot 300.000 dollar door andere medewerkers voor akkoord met een handtekening worden voorzien en dat X  'slechts'
over projectaanvragen boven dat bedrag gaat.

Nu ga ik ook wel kort door de bocht want natuurlijk gaan er formeel hier meer mensen over, maar de positie van voorzitter is in belangrijkheid bepalend of aanvragen gehonoreerd worden of niet. 
Feitelijk draait alles om Koninkrijkjes binnen zulke netwerken.
Maar wat me het meest verbaasde is dat deze mensen niet eens met hun ogen knipperen bij het noemen van deze bedragen. tijdens besprekingen of onderhandelingen.
Het is een ander wereld waar je in terecht komt.  Ik kom van een leerschool van eerst zien dan pas geloven en liet niets merken van mijn twijfels. Het koste me weinig moeite om mijn houding en spreekstijl aan te passen aan de situatie en de vaak wisselende samenstelling van gesprekspartners.

De Indonesische taal is geen barrière gebleken. Ik sprak van huis al het 'gewone' pasar Maleis en was het een kwestie van leren en goed luisteren.
Bij een  afspraak, wat niets met het fundraisingprogramma Omega te maken had en waarvoor ik in Jakarta was, werd mij gevraagd of ik mee wilde.
Gewoon zomaar, maar ook omdat ze de groep niet wilde splitsen of mij allen in de hotelkamer achter wil laten.  Ik kleedde me zoals de security groep uit Jakarta in jeans, T-shirt en teenslippers.

Het ging om een stel uit Nederland, een blanke man en een Indonesische vrouw van Molukse origine. Man en vrouw spraken vloeiend  het pasar Maleis zoals we in Nederland gewend zijn.
De afspraak werd gemaakt in een Mac Donald restaurant op verzoek van het stel.
Er was hier wat discussie over met de security mensen van de groep omdat we zoveel mogelijk
Amerikaanse bedrijven zoals Hotels en restaurants willen vermijden vanwege het risico van aanslagen (na die op Bali), maar het stel heeft expliciet om deze locatie gevraagd.
Waarschijnlijk logeren ze daar in de buurt of kennen ze de locatie van eerdere bezoeken want ze waren op doorreis naar de Molukken.
Wij waren met vier incl. twee  security mensen (Ot en Octo) die altijd aanwezig zijn bij afspraken.

De Mac Donald restaurant zag op dat late tijdstip (het was na 24.00u)  verlaten uit voor een  miljoenenstad, maar het lag ook een beetje in een buitenring van Jakarta.
Wij waren eerder dan het echtpaar  met wie wij hebben afgesproken.  Ik kreeg uitdrukkelijk het advies van Louis (woordvoerder) die bij onze groep hoorde en met wie de afspraak gemaakt was, om  niets te zeggen omdat ik de taal en het accent zoals ze die in Jakarta spreken niet goed beheers, waardoor ze  nieuwsgierig kunnen raken.
Het gesprek ging over een eventuele sponsor voor de politieke organisatie waar wij ook de fundraisingsprogramma voor deden. Een vaag verhaal vond ik en kreeg het idee dat deze mensen alleen uit zijn op informatie.
Af en toe spraken ze Nederlands tegen elkaar om snel iets met elkaar te kunnen overleggen , maar de man was me ook  al een tijdje aan het observeren.

Geheel onverwacht vroeg hij wat mijn naam ook alweer was. Ik: Anthony, hij:  "je achternaam bedoel ik". Saija zei ik. Oh zei hij Ambon of dorp Aboroe op eiland Haruku.
Ik zei Ambon.
Het waren korte antwoorden waarbij ik zorgvuldig vermeed lange zinnen te maken.
Vervolgens onbeschaamd verder met vragen als waar ik nu woon.
Louis kwam tussenbeide zodat het gesprek zich weer richtte op de zakelijke dingen, maar de man was niet helemaal overtuigd en zei tussen neus en lippen door in het Nederlands tegen zijn partner dat hij vermoed dat ik uit Nederland kom.
Ik deed net alsof ik het niet verstond (Octo,  Ot en ik zaten ook een tafel ernaast).

Het gesprek heeft ook geen enkele resultaat opgeleverd want er rolde niks concreets uit.
Ot was tijdens het bewind van oud president Suharto, commandant van een speciale beveiligingsdienst en een elite eenheid die de laatste ring vormde rond de president.
Hij verteld me een keer dat alles binnen een straal van 10 tot 20 m in geval van calamiteiten en de president gevaar liep, zonder onderscheid des persoons geëlimineerd mag worden.
Ik vond hem helemaal het type niet van een beveiligingsagent, klein van postuur, stevig,  beetje gezet en vooral zijn humor doet me denken aan een  vaderfiguur.

Hij was iets ouder dan mij en was overal waar ik was ook aanwezig. We sliepen op dezelfde kamer en als hij er niet was dan is Octo er, een ex-marinier.
Ik heb het in het begin nooit als gevaarlijk beschouwd omdat alles buiten je gezichtsveld geregeld wordt.
Indonesië ben ik bijvoorbeeld nog nooit op een normale manier binnengekomen.
Het begint al bij aankomst op de airport Soekarno Hatta waar eenmaal uit het vliegtuig mensen van Garuda (nationale vliegmaatschappij)  mij onderaan de slurf opwachten.
Langs de  immigratiedienst ben ik ook nog ooit langsgelopen, altijd  via een aparte uitgang langs het kantoor.

Er was wel een periode geweest die best 'spannend' genoemd kan worden. Dat was in 2001 het jaar waarin president Wahid viel. Abdurrahman Wahid, ook bekend als Gus Dur.  Hij was de vierde president van Indonesië.
Er waren overal demonstraties in de miljoenenstad Jakarta en het advies was binnen te blijven in het hotel.
Ik was met Rain mijn mijn metgezel uit Nederland die vloeiend en accentloos de Indonesische taal beheerst, Ot en David, ook een ex-marinier.

Overal branden lege oliedrums langs de straten en zagen we demonstranten met witte of groene hoofdbanden. Vlak voor het presidentieel paleis was er plotseling een roadblock en zagen we tientallen gewapende agenten staan die de weg versperden.
We hadden een blauwe taxi (meest vertrouwde vervoersbedrijf) genomen met een door het hotel waar wij verbleven, bekende chauffeur.
Het Hotel zelf stond bekend als een locatie waar vaak mensenrechten activisten verblijven en meetings houden. We werden gesommeerd uit te stappen.
Ot zat voorin naast de chauffeur en David,  Rain en ik op de achterbank.

We hebben allebei onze paspoorten niet bij ons, in het hotel achtergelaten.
Ot zei "geeft niet stap maar uit"alsof hij dit al had voorzien.
Tegelijk dat we gesommeerd werden om onze handen op de auto te leggen en de benen moeten spreiden, hoorde ik Ot met een stalen gezicht tegen een van de politiemensen zeggen (ondertussen zijn eigen ID-card laten zien) dat wij mensen van de ambassade zijn en vroeg waarom we aangehouden werden.

Ik herinner me een situatie dat ik net een jaar mijn rijbewijs had en na een paar goedgevulde glazen whisky (jeugdzonde die goed afliep) met een kameraad midden in de nacht naar huis reed en vlak voor Assen aangehouden werd.. In die tijd waren er nog geen blaaspijpjes.
Mijn 'co-piloot (Charles) was zo smoor dat hij onderuit in de stoel naast mij half of bijna niets van de aanhouding had gemerkt.
Ik deed het raam open en de alcohol walm viel de agent natuurlijk onmiddellijk op. Zo zegt hij, "jullie hebben h'm wel flink geraakt vanavond" waarop ik heel alert reageerde "ja hij wel daarom rij ik ook". Het was eigenlijk als cynisch bedoelt want ik dacht echt dat  ik erbij was en dan kan een grap met een beetje bluf ook wel geen kwaad.

Maar ik mocht verder rijden.  Daar ontsnapten we toen aan een bekeuring door een leugen, maar dat was in Nederland (jaren zeventig) en dit is wel een ander land en een andere situatie maar deze agenten zagen er niet bepaald vriendelijk uit.
Ik durfde niet te denken aan de gevolgen van de leugen of bluf van Ot en zag ons al geboeid meegenomen worden, met alle gevolgen van dien.
Maar Ot zag er plotseling niet meer zo onschuldig uit en zijn houding en de manier waarop hij sprak, straalde gezag en autoriteit uit.
De politieofficier durfde de confrontatie van een discussie met Ot niet aan, bood zijn excuses aan en vroeg of we weer in de auto willen plaatsnemen en een andere reisroute willen nemen.

Bij een andere gelegenheid maakte ik mee wat voor angst, met name politiemensen en militairen voor de beruchte veiligheidsdienst hebben of mensen met speciale bevoegdheden zoals Ot die toen had.
Wij hadden een afspraak in Bandung en zouden met de trein reizen maar  kregen als advies vooral op tijd liefst een uur van tevoren op station te zijn omdat er vaak lange rijen voor de ticketbalie stonden. Ot keek mij verbaast aan op de hotelkamer toen ik zei dat ik de wekker maar op heel vroeg gaat zetten,  alsof hij het niet zo goed begreep wat ik bedoelde.
De volgende ochtend kwamen we op tijd voor de trein maar veel te laat voor de ticketbalie natuurlijk. Ot zei niks liep naar voren keek naar de politieagenten  die daar stonden en schoof voor zijn beurt als eerste aan de rij.
Ik dacht aan een flinke rel en opgepakt te worden wegens  ordeverstoring, maar Ot gaf geen krimp.
De politieagenten die daar stonden verroerden zich niet en staarden alleen voor zich uit.
Later dacht ik dat het de manier was waarop hij de politiemensen aankeek, minachtend en uitdagend.
Met de treinticket in de hand kwam Ot lachend aangelopen en liepen we samen naar het perron.

Ot zou nog een keer zo'n stunt uithalen maar dat was heel spectaculair.
Het was een gewone routinecontrole waarin auto's gecontroleerd worden en gevraagd naar rij en kentekenbewijs.
Wij zouden naar de bank een paar blokken verwijdert van het hotel.
Ot zat zelf achter het stuur van de auto, geregistreerd op naam van het hotel. Ot stapte uit, liep heel langzaam  naar een agent, waarschijnlijk een officier, de hoogste in rang.
Hij keek hem een paar seconden aan en zei iets onverstaanbaars (ik zat in de auto).
De agent zei iets terug zag ik, waarna Ot hem bij z'n oor vastpakte en iets terug zei en liep daarna met een grijns terug naar de auto. Ik denk dat je wel een keer, als je ooit zo'n functie  als Ot in het leger hebt gehad ook het lef hebt zo'n stunt uit te halen, maar Ot deed en doet het vaker alsof hij boven alles staat.
Het meest waarschijnlijke is dat Ot nog steeds zijn netwerk heeft bij deze militaire elite eenheid waardoor hij voor niemand bang is.

Bij een ander gelegenheid drie jaren was ik met een groter groep afgereisd naar Jakarta en hadden we een persconferentie in Hotel Indonesia. De binnenlands veiligheidsdienst was getipt waardoor de gereserveerde zaal plotseling niet meer beschikbaar was.
De Hotelmanager zag er duidelijk bang uit.
Terwijl de pers met filmcamera's in aanslag al in de lobby stonden te wachten besloten we de persconferentie, niet gehinderd door deze sabotage,  door te laten gaan en wel in het restaurant waar ook hotelgasten zaten te eten.

Na een kleine uur (de persconferentie was net begonnen)  kwamen mannen in twee en drietallen de zaal binnen. Ze vielen mij eerst niet op, pas na de derde en vierde groepje.
Haar kort geschoren strak voor zich uit kijkend, het  type mariniers of commando's  in burgerkleding, pantalon met overhemd en niet eens de moeite nemen de wapens aan hun heupgordels te verbergen .
Ik denk dat ze met een man of vijftien waren.
Ze stuurden de gasten tafel voor tafel weg. Het eten lieten ze staan en de zitplaatsen werden allemaal door deze mannen ingenomen. De verslaggevers en journalisten waren bang zag ik, want ze hadden meer oog voor de grimmig uitziende groep die onverwachts binnen kwamen vallen.

Wat daarna volgde was voor mij zelfs een verrassing. Dat we in Jakarta gevolgd werden als we ons verplaatsen is bekend. Maar blijkbaar was de binnenlandse veiligheidsdienst niet de enige  die ons volgden maar werden we ook onze eigen mensen in de gaten gehouden.
Die kwamen dus dan ook binnen, een groepje van circa 8 mannen eind twintig begin dertig schat ik en allen met jassen aan met buitentemperaturen van 33 graden en hoger.
In tegenstelling tot de mannen van de binnenlandse veiligheidsdienst , zagen ze er heel ontspannen uit en met zo'n blik van "kom maar op we zijn echt niet bang voor jullie".

Maar nu heb ik wel echt reden om bang te zijn. De situatie was nu snel veranderd en hing er een onheilspellende zo niet dreiging in de lucht die eigenlijk niet te bevatten is omdat je nog volop bezig was met de eerste 15 of twintig minuten te verwerken.
Ze stonden met de rug naar de uitgang gekeerd en  met hun gezichten in de richting van de groep mannen aan de eettafels. Ot zei dat we rustig naar de uitgang moeten lopen naar de auto's die voor het hotel geparkeerd stonden. Ik heb later ook niets meer gehoord hoe de aftocht was verlopen van de jongens.

Alle gevoel voor tijd was ik kwijt en kon me later ook niet herinneren hoe de laatste minuten waren verlopen (de gewapende veiligheidsdienst, de gewapende jongeren, de journalisten) Wil het ook niet weten.
Ook bij deze gebeurtenis vermoed ik de hand van Ot die waarschijnlijk al tevoren wist dat er iets stond te gebeuren tijdens de persconferentie en de jongens al paraat heeft staan, want je kan je onmogelijk binnen een half uur van de ene deel naar een andere gebiedsdeel
van Jakarta verplaatsen.

Dan nog vroeg ik me  af hoe ze zo snel bij elkaar getrommeld waren en de auto's geregeld.
Na zijn pensionering bij de speciale eenheid die verantwoordelijk was voor de beveiliging van president Suharto trad Ot in dienst als security manager van een hotel in Jakarta. Het hotel dat veelvuldig door medewerkers van mensenrechtenorganisaties werd bezocht als meetingpoint om te overnachten.
Ik herinner me mijn  eerste bezoek aan het hotel wat heel surrealistisch geweest was. Er liepen heel veel mensen rond zowel in de lobby als buiten het hotel waarvan ik zeker weet dat het geen gasten waren en ook geen personeel.

We werden begroet met een glimlach of een knik. Alleen aan de kleding al kon je hun onderscheiden van de andere gasten. jeans shirts en caps.
Ik schat zonder overdrijven circa 12 tot 15 maar het kunnen er net zo goed meer zijn.
Verdeeld over drie tot vier groepjes kom je ze in steeds wisselende samenstelling of aantallen in het hotel of erbuiten tegen. Het personeel en het management kijken er ook niet van op alsof  ze dit gewend waren of vaker meegemaakt hebben.
Octo vertelde me bij aankomst toen we  aan het inchecken waren at ik me geen zorgen hoefde te maken omdat het jongens waren van de organisatie. Het doel waarvoor ze daar waren heb ik niet naar gevraagd.

Het is mogelijk dat Ot en Octo aan mij wil laten zien dat deze jongens er waren en zij georganiseerd waren in Jakarta. Bij mijn volgende bezoeken reis in dat jaar was de groep aanmerkelijk geslonken en verbleven er steeds structureel twee soms vier in de buurt. Ze sliepen om beurten zittend in een stoel, op de bank in de hotelkamer, of op de grond. De anderen zitten beneden in de lobby en brengen kaartend de tijd door.

Het was rond 23.00 u 's avonds. Octo David en ik stonden buiten op de parkeerplaats voor de poort. Ik was aan het bellen naar een contactpersoon in Nederland toen ik een knal hoorde buiten de poort. Octo en David lagen lagen na de knal op de grond. Ze lagen een kleine drie meter bij mij vandaan en riepen en gebaarden met hun handen dat ik op de grond moest gaan liggen.
Met de telefoon nog in de hand en aan mijn oor, gaf ik (niet begrijpend wat er aan de hand was), gehoor aan de beide mannen  waarna ik direct daarop achter elkaar een tweede en derde knal hoorde.

Het konden net zo goed knallen van een uitlaat zijn (door de oren van een westerling) ) Het bleken
geweerschoten te zijn, afgevuurd vanaf de wachtpost van militairekazerne schuin aan de overkant op circa 100m afstand van het hotel.
Het konden geen gerichte schoten geweest zijn omdat we nergens kogelinslagen zagen of hoorden, want als die al waren dan waren op z'n minst de auto's achter ons geraakt. De militairen aan de andere kant met de geweren in de hand keken wel onze richting uit.
Volgens Octo deden ze dat om ons te intimideren, maar in deze vorm was het toch uitzonderlijk en dat midden in de stad.

Het was ook het jaar dat de gematigde en bijna blinde president Wahid viel. Er zat slechts twee maanden tussen deze en mijn vorig bezoek aan Jakarta, maar dit keer onderschatte ik toch het gevaar van de metropool stad Jakarta. Een stad waar het contrast tussen arm en rijk heel groot is.
Waar kinderen in de brandende zon voor de ingang van de shoppingcenters zitten of lagen te bedelen om een beetje geld. Er zijn bendes die er een business van gemaakt hebben door deze kinderen erop uit te sturen, de straat op om te bedelen waarna het geld in de zakken verdwijnen van de bendeleiders.

Ik heb inderdaad wel vaker groepjes op hoeken van straten gezien die opgepikt werden door kleine pickups  met open laadbakken waar  8 of meer kinderen tegelijk instapten. Dit zou ook de laatste keer zijn dat ik met Octo in Jakarta optrok. Altijd relaxt, deed wat hem gevraagd wordt, mengde zich nooit in discussies, een schaduw overal waar je heen loopt zelfs naar het toilet, wacht houdend op stoel naast de hotelkamer deur.
Toen we afscheid namen van elkaar (hij moest naar de Molukken) vroeg ik hem hoelang hij daar bleef. Hoogstens twee weken zei hij. Dan zien we elkaar weer over twee maanden  in Jakarta zei ik, want dan ben ik weer terug en omhelsden we elkaar.
Na mijn terugkomst in Nederland kreeg ik (een maand later) bericht dat Octo onder verdachte omstandigheden (vergiftigd) op het eiland Ambon was overleden.

Volgens de contactpersoon in Jakarta was Octo veel te lang (twee maanden) dan de geplande twee weken op Ambon gebleven waardoor hij opgevallen was en getraceerd in 'bepaalde kringen'.
De foto's die ze gemaakt hebben van zijn naakte lichaam op een tafel, spreken voor zich. Hij was erg opgezet en zag eruit alsof hij verbrand was.
Octo zou niet de enigste zijn die op deze manier in Indonesië onverwachts kwam te overlijden. In Sulawesi is een van de leden van de mensenrechten organisatie PIP (West Papua) op een politiebureau door vergiftiging om het leven gekomen.

Ook de Indonesiese mensenrechten activist Munir Thalib Said (voorzitter mensenrechtenorganisatie Kontras in Jakarta) werd in 2004 tijdens een vlucht van Jakarta naar Amsterdam in een KLM vliegtuig vergiftigd. Munir kreeg de gif toegediend door een naast hem zittende passagier, "toevallig" een piloot van Garuda Airways (Pollycarpus Prianto) die prive meegevlogen was naar Amsterdam.Tenminste dat was in eerste instantie de theorie
In bepaalde kringen werd,  de als "luis in de pels van de Indonesische regering", Munir  als slachtoffer genoemd van executie door de geheime dienst.
Bronnen binnen de vliegmaatschappij Garuda vertelden dat de piloot die 14 jaar gevangenisstraf kreeg, in de gevangenis was bezocht door mensen die hem veel geld boden, om vooral te zwijgen en zo doen voorkomen dat hij de moord inderdaad heeft gepleegd.
In 2007 werd hij echter in hoger beroep vrijgesproken en een vooraanstaande ex-Garuda medewerker Rohainil Ainil werd ipv de piloot Pollycarpus  gearresteerd voor medeplichtigheid aan de moord.

In 2007 was ik gebeld door een contactpersoon voor een telefonisch intervieww met het Indonesische krant  Tempo.
Mijn naam werd namelijk ook genoemd in deze zaak, als iemand die Munir  Thalib Said tijdens een tussenstop in Singapore zou hebben gesproken.
Het interview heb ik afgeslagen omdat ik niet precies weet wie daar opdracht toe gegeven heeft en ook bang was dat men de feiten zou verdraaien.
Ik ken Munir niet persoonlijk, maar heb wel een jaar na zijn dood een ontmoeting gehad met zijn vrouw Suciwati,die de organisatie Kontras na de dood van haar man overnam.
Ze werkt samen met Mufti leider van Yayasan Tifa, ook een mensenrechten organisatie uit Jakarta. Met beide heb ik in Kuala lumpur gesproken en bij die gelegenheid hebben we businesscards met elkaar uitgewisseld.
Munir schijnt in Singapore op de airport met iemand te hebben gesproken die op mij lijkt.
Deze ontmoeting stond op de videoband van de  beveiliginscamera's.
Dit kwam me helemaal niet goed uit omdat ik onverwacht naar Jakarta moest afreizen om mijn zus op te halen. Die was in in Jakarta opgedoken nadat ze met een andere zus naar Bali op vakantie was geweest en in verwarde toestand het vakantieadres heeft verlaten en al een week onvindaar.
Totdat een familielid uit Jakarta belde dat ze daar zat en ook geen paspoort  bij zich.
Ik heb het ministerie van Buitenlandse zaken gebeld en en het probleem voorgelegd, die me prompt uitnodigd voor een gesprek.
Het bleek een gesprek met vier mensen waarvan ik zeker weet dat het niet alleen om een familielid van mij ging die in Jakarta verzeild was geraakt. Het bevreemd me niet, ook gezien het aantal mensen van de kant van Buza, dat men meer interesse had in mijn lidmaatschap van een mensenrechtenorganisatie.
Er was de hele tijd maar een persoon aan het woord de andere drie luisteren alleen aandachtig mee of maakten aantekeningen.
Maar wat, als ik aangehouden word voor onderzoek n.a.v. de Munir zaak. Ik zei  dat er tal van voorbeelden zijn van mensenrechtenactivisten in Indonesie, met wie het (op z'n zachtst gezegd) slecht was afgelopen. Munir was daar een voorbeeld van.
Als antwoord informeerde men mij dat er een afspraak was tussen Nederland en Indonesie dat men binnen 24 uur contact zouden opnemen met de Nederlandse ambassade als er Nederlandse staatsburgers aangehouden worden en gevangen gezet.
Op mijn tweede vraag hoe hard deze afspraak was, kwam als antwoord "die garantie is er niet".
Het gesprek duurde nog geen uur bij Buza en kwam er op neer dat ik nergen op kan rekenen.
Ik had het ook kunnen weten en had me die reis naar Den Haag kunnen besparen ware het niet dat ik nieuwsgierig werd door de uitnodiging, want dit hadden ze ook telefonisch kunnen doen of met een brief.
De zaak rond Munir baart me geen zorgen, want reizen  en data naar Indonesie vielen ruim buiten die voor hem fatale dag. Het was wat anders, maar dat hoefde ik niet aan Buza mensen uit te leggen want volgens mij weten ze meer over mij en mijn activiteiten dan ze willen laten blijken.
Het is dan ook in ons netwerk bekend dat er een innige samenwerking is tussen de overheidsdiensten van beide landen, dus ik maak me ook geen illusies over.
Dat het bijna mis ging, is nog maar zacht uitgedrukt.
Het was zoals andere keren een rustige vlucht en de aankomst een routinekwestie ware het niet dat de mensen van Garuda die me voorbij de immigratiedienst zouden leiden, vast zaten in een file, waardoor ze te laat kwamen.
Ik moest me noodgedwongen aansluiten in de lange rijen wachtenden.
En dan nog zou er niks aan de hand zijn (50% kans) als ik plotseling geconfronteerd werd met een overijverige douane beambte die mij vroeg waar ik vandaan kwam, waarop de man me vroeg naar mijn incheckformulier vanuit Amsterdam Schiphol. Die had ik dus op de balie laten liggen op Schiphol, gewoon in de haast laten liggen. Zegt die man dat ik zonder die formulier ook niet Indonesië binnen kan komen.
Aan de ene kant was ik blij dat dat het was ipv een alertmelding op zijn computerscherm.
Wat hierna zich afspeelde kon wel eens scene zijn van een slechte B-film.
Ik verbaasde me nu nog over hoe dat allemaal gegaan was.
De douanier zei dat ik een copie moest halen van de zoekgeraakte incheckformulier van deze vlucht bij het kantoor van KLM op de airport. Ik zei dat ik dat wel ga doen en vroeg waar het kantoor is.
Zegt die man, die staat op de 1e etage .
Vroeg ik hem waar ik langs moest, zegt hij dan moet je naar buiten gaan, want die bevond zich buiten maar dat kan niet zonder paspoort want die houden ze als borg.
Ik vroeg hoe kom ik dan buiten als jullie me niet erdoor laten?
Na enige aarzeling stemden ze toe want zagen de logica er ook van in. Zonder paspoort ging ik naar buiten en zocht het KLM office.
Die bleek al gesloten want het was al ver na 17.00 u. Nu moest ik weer terug naar binnen, maar hoe doe je dat zonder een paspoort en ticket? De security bij de ingang was heel resoluut zonder papieren geen toegang.
Ook logisch dacht ik, maar ik had al schoon genoeg van dit gedoe en zei tegen die man dat ik niet van plan was om uit de rij te stappen die inmiddels al flink was opgehouden.
Ik legde hem de situatie nog een keer uit.
Het was niet mijn overtuigingskracht maar de groeiende en morrende mensen die hem doet besluiten om me toch door te laten.
Binnen bij de immigratiedienst bleek zich al een KLM medewerkster aangemeld met een kopie van de lijst dat ik met die vlucht Indonesië was binnengekomen.
Blijkbaar hebben de mensen van de immigratiedienst Buiten stonden de Garudamensen die me op zouden halen al te wachten.
In twee auto's reden we van de airport af het centrum in. Over de deze reis schrijf ik later nog wel een blog omdat ik nog aan het twijfelen ben. Het zouden veertien echte tropendagen worden en heeft niets met de politiek te maken.